Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Scorel [Jan]

fol. 236b 6-Regelig vers.

Bij Lampsonius n°. 17.

Vermeyen [Jan Cornelisz.]

fol. 2250 13-Regelig vers.

Bij Lampsonius n°. 15.

Cf. in den tekst (fol. 224^): hy door zijn vlyt en Const

is gheworden Schilder des.... Keysers (Carolus de vyfde), den welcken hy als een medereyser verselschapte in verscheyden Landen: .... want den Keyser hem veel ghebruyckte / zijn krijghen / geschiednissen ! en verwinninghen te teyckenen nae welcken namaels schoon Tapijten zijn ghemaeckt gheworden." Lampsonius:

„Dum terra sequiturque mari te, Carole Caesar,

Pingeret ut dextrae fortia facta tuae

etc."

en: „Dickwils hadde den Keyser zijn geneucht desen Zijnen schilder Vermeyen te laten sien eenige groot Heeren oft vrouwen / trotsende op zijn bysonder gedaent en gestalt: want hy wesende een schoon en lang persoon / hadde eenen schoonê breeden baert / so lang / dat hy recht over eyndt staende / daer op

con trede ...."

Lampsonius:

„Jussus prolixae detecta volumina barbae Ostentare suos pendula ad usque pedes.

Allicht geschiedde de beschrijving van Vermeyen's uiterlijk ook volgens het portret in de verzameling, waar Vermeyen eveneens met een geweldigen baard wordt afgebeeld. Deze koperdruk is waarschijnlijk gedaan naar Vermeyen's „Selbstportrat", dat van Mander fol. 224^ beschrijft en dat in bezit was van Vermeyen's dochter te Middelburg.

Sluiten