Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn geboortejaar te rekenen feitelijk opgenoemd diende te worden, en dan als reden opgeeft, dat hij in dergelijke gevallen op berichten had moeten wachten, en we bemerken dan, dat Hans van Aken één dier enkelen is, die niet op hun plaats staan, dan is het m. i. voor de hand liggend, dat van Aken ook tot diegenen behoort, die, om inlichtingen aangezocht, aan dit verzoek — zij het dan ook wat laat — voldeden. Misschien verkreeg van Mander deze inlichtingen door tusschenkomst van van Aken's leerling Pieter Isaaks of Spranger. Behalve inlichtingen over zich zeiven kan van Aken ook berichten gegeven hebben over de drie in zijn Leven opgenoemde schilders, die met hem destijds te Praag werkten : J o s e p h Heynsz,, Gilles Sadeler, en Adriaan de Vries.

Badens [Francesco] (fol. 298^—299^).

In diens Leven klaagt van Mander aldus: „lek had meer dinghen moghen aenwijsen: doch dit heeft mij verhindert dat ick de teghenwoordige schilders .... heb ghevonden soo heel weygherlyck segghende niet ghenoechsaem in de Const te wesen." Tot dezulken behoorde deze schilder. Van Mander kende hem persoonlijk, daar hij vertelt, dat hij in 1604 te Amsterdam op Baden's atelier een schilderij van hem zag.

Ook blijkt fol. 264^, dat ongeveer 1603 a 1604 Jeremias van W i n g h e n bij Badens te Amsterdam leerde. Door tusschenkomst van Badens kan van Mander dezen jongen man hebben leeren kennen en van hem inlichtingen bekomen omtrent het leven en de werken van zijn vader Joos van YVinghen.

Daar Badens + 1600 in Italië vertoefde, kunnen berichten over in Italië levende meesters van Mander door tusschenkomst van Badens en zijn reisgezel Jacob Matham, Goltzius' schoonzoon, bereikt hebben. Buiten twijfel zijn de bijzonderheden uit Jan Baden's leven afkomstig van zijn broer, onzen schilder.

Sluiten