Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de tweede plaats kan men met groote zekerheid Jacob Rauwert als een bron voor het Leven van Pieter Aertsen aanmerken. Het blijkt n.1., dat beiden zóó bevriend waren, dat toen den 3<'en Juni 1575 de schilder in de Oude Kerk te Amsterdam begraven en met de groote klok beluid werd, het grafgeld voldaan is geworden door zijn zoon Pieter en door Jacob Rauwert. !)

Rauwert bezat een soort familieportret van Pieter Aertsen. Men zie wat hierover aangeteekent staat onder diens schilderwerk.

Dat Rauwert in de schilderswereld veel invloed bezat, blijkt uit fol. 293^, waar Gerrit Pietersz. Sweelinck op zijn voorspraak bij Cornelis Cornelisz. in den leer kwam. Bracht verder ook vele gravures (b.v. van Goltzius) in den handel.

Ravestijn (fol. 300^)

behoort tot de jonge schilders, die van Mander persoonlijk kende.

Razet [jacquesJ.

,, Den Schilder-const-liefdighen, en den Schilders seer toeghedaenen Heer, Notarius publicus en Secretaris op de Convoye tot Amsterdam, mijnen besonderen goeden vrient" — zoo spreekt van Mander — zijn de levens der „ Antycke Doorluchtighe Schilders" opgedragen.

Zonder dat ik bepaalde aanwijzingen vermag te geven over wélke schilders Razet inlichtingen kan gegeven hebben, zal men toch gevoegelijk aannemen kunnen, dat van Mander den bekenden kunstminnaar, — van wien hij nog eens uitdrukkelijk zegt, dat zijn „liefd' ter Schilder-const betuyghen veel spraeckloose luydcn, daer V. E. huys vol van is", en „om wekker V. E. huys van Const-liefdige Heeren daegh-lycx veel

') Obreen's Archief VI bldz. 34. — Van Mander geeft als sterfdag op: 2 Juni 1573 [drukfout] (fol. 244^). Afbeelding van de grafzerk met jongere inscriptie in N. Holl. Oudheden V (1902) bldz. 60.

Sluiten