is toegevoegd aan uw favorieten.

De bronnen van Carel van Mander voor "Het leven der doorluchtighe Nederlandtsche en Hoogduytsche schilders"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dankt van Mander dus naar alle waarschijnlijkheid aan den schilder zeiven.

Vroom [Hendrik] (fol. 287*7)

Van Mander kende hem persoonlijk te Haarlem, bezorgde hem zelfs in 1588 werk, n.1. tapijtpatronen te teekenen voor Spierinx te Delft. De verhalen over Vroom's avontuurlijke tochten (waaronder een zeer zonderling relaas van Vroom's wonderlijke redding toen hij, op een tocht over de Alpen van zijn muilezel gevallen, van den dood gered werd, doordien hij aan de rotsen vastvroor) vernam van Mander dus ongetwijfeld uit den mond van den schilder zelf. Hij is een tijdlang leerling geweest van Paulus Bril.

Van Winghen [Jeremias]. Zie onder Badens, bldz. 137.

Wtenwael [Joacliim] (fol. 296b).

Deze lichtte van Mander in omtrent eigen leven en dat van zijn vader Joachim van Schuyck. Van Mander kende nog te Amsterdam zijn broeder Lucas Wtenwael.

Wyntgis [Melchior].

Zonder uitdrukkelijke mededeeling welke inlichtingen deze hem gaf, blijkt toch duidelijk, dat van Mander een goeden steun in genoemden kunstkenner bezat. Hij kende zijn uitgebreide collectie, misschien ten deele, misschien geheel uit eigen aanschouwing. Hij droeg aan Wyntgis den „Grondt der Edel Vrij Schilderconst" op.