Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds is boven (bldz. 8 — 18) nagegaan, welke persoonlijke herinneringen van- of bekendheid met schilders enz. de bronnen werden der mededeelingen omtrent die personen.

Onder dezen behooren in de eerste plaats genoemd te worden de beide leermeesters van van Mander, Lucas de Heere en Pieter Vlerick, wier levensbeschrijvingen bijkans geheel berusten op herinneringen van den schrijver. Verder putte van Mander waarschijnlijk uit eigen herinneringen de eigenaardigheden van Hubrecht Goltzius (fol. 248^) en den naam van Joos Gietleugen, die de prenten voor Goltzius sneed (zie bldz. 105).

Uit de mededeelingen op fol. 242^ blijkt verder, dat van Mander de namen van Ambrosius Francken en Joos de Beer, evenals die van Michiel Gioncquoy (fol. 252^) in zijn geheugen bewaard had.

Ook de levensbeschrijvingen van vader en zoon Pourbus berusten grootendeels op eigen herinnering. Hij kende b.v. hun atelier (fol. 25jb)\ „noyt hcbbe ick ghesien bequamer Schilderwinckel als hy hadde," en hebbe hem (Frans) gesien in

zijn reys-cleeren / dat hy te Ghent quam oorlof nemen aen Lucas de Heere." Ook weet hij dan misschien uit eigen aanhooren, dat Pieter Pourbus de ryve van M e m 1 i n c uitermate prees (fol. 201 a).

Bldz. 128 werd er reeds op gewezen, dat enkele jaartallen van toetreden tot het St. Lucas gilde te Antwerpen op eigen herinnering mogen gesteld worden.

Uit eigen herinnering schrijft van Mander waarschijnlijk ook, dat Dirk Barentsen gaarne eens van Amsterdam naar Haarlem was overgekomen, doch daarin teruggehouden werd door zijn dikte en den angst voor water (fol. 259b). Eveneens, hoe Hans Bol berooid te Antwerpen aankwam en voortgeholpen werd door „een Constbeminder van Belle in Vlaender, Anthoni Couvreur," en hoe hij zich vervolgens aldaar op miniatuur-teekenen toelegde, enz. (fol. 260b). HetzelSde geldt naar alle waarschijnlijkheid voor de verhalen over A e r t M ij t e n s uit diens Italiaanschen tijd (fol. 263b).

Sluiten