Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschrijft, staat gedrukt: „Maria Verhulst veufve du dict Pierre d'Alost trespasse en 1'an MDL .... etc."

Over de reis naar Constantinopel en de bereikte resultaten zie bldz. 115.

Fol. 232^ zegt van Mander, dat Jeroen Cock dikwijls op zijn prenten graveerde „Laet de Koek koken om t'volx wille", een woordspeling op zijn eigen naam en dien zijner vrouw, Volck. O. a. kan men een dergelijke prent vinden in het werk

van Johan Vredeman de Vries, getiteld „Scenographiae etc.

1563," waarin de eerste plaat den bewusten zin vertoont.

Dergelijke woordspelingen vindt men in een serie cartouches van Cock; b.v. in die gemerkt I „Die Cock cant qualijck al tuolck te passé coken;" L: „Spaert Heere u volck;" M: „Mocht de cock nou ghoet profijt doen van desen / so sou tuolck also blijde als hij selve vesen."

In het Leven van Albrecht Diirer (fol. 209/'—210^) deelt van Mander diens geboorte- en sterfjaar mee, klaarblijkelijk ontleend aan het grafschrift op Dürer's graf, dat van Mander bij zijn bezoek aan Neuremberg in 1577 (fol. 209b) zeker niet nagelaten zal hebben te bezoeken. Het grafschrift wordt in extenso vermeld.

Bij zijn onderzoek, wanneer Diirer begonnen zou zijn met graveeren, vindt hij een copie naar Israël van Meckenen, waarin het jaartal 1497, zijnde „het eerste snedewerek dat ick van hem met datum hebbe connen te sien cornen oft vernemen." Is dus, zoo redeneert hij, Diirer in 1470 geboren, daar hij in 1528 op 57-jarigen leeftijd overleed, dan was hij dus in 1497 „alree 26 oft 27 Jaer oudt" alvorens hij zich op het graveeren begon toe te leggen.

Feitelijk hier niet thuisbehoorend zijn de grafschriften op de van Eycks en het lofdicht op den Agnus Dei, daar van Mander deze direct overnam uit Vaernewijck en Lucas de Heere (zie bldz. 98/99 en 78).

Sluiten