Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het al van Frans ghelijckt te wesen." Eveneens in schilderijen van Marten van Cleve.

*„Teyckeninghe, die ten deele in Print uytcomë." Van Mander zegt er bij: „maer hadde veel dingen gehadt van een Oosterlingh / geheeten Melchior Lorch, die langen tijdt te Constantinopel hadde gewoont." Verschenen in een serie, getiteld: „Ruinarum varii prospectus, rurumque aliquot delinationes."

van Cleve (Joos. „Sotten Cleef"). [fol. 226b—22"ja\

* „Een Mary-beeld." Bij Melchior Wyntgis te Middelburg.

* „Een Bachus." Bij Sion Luz te Amsterdam.

Met grijs haar en vet.

van Cleve (Marten). [fol. 230^].

Van Mander weet alleen mee te deelen, dat hij de landschappen van zijn broeder Hendrik en van Gillis van Coninxloo (cf. fol. 268a) stoffeerde.

Cluyt (Adriaan Pietcr). [fol. 25 5<■«].

„ Int schilderen en t' blasoneren der Heeren wapenen niet onervaren."

Cock (Hieronymus). [fol. 232a].

Etsen, o. a. 12 landschappen naar Mathijs Cock „die van yeder noch geern worden ghesien." ')

* [fol. 259#]. „de schole van Raphael in Print uytgebracht."

Cock (Mathijs), [fol. 232^].

Zie onder Hieronymus Cock.

Coecke (Pieter — van Aalst), [fol. 218(7/;].

* Houtsneden, waarvoor C. de teekeningen in 1532 in Turkije maakte. 2) Van Mandcr noemt en beschrijft deze zeven houtsneden stuk voor stuk. Ze verschenen onder den titel: „Les moeurs et fachons de faire de Turcz avecq les Regions y

J) Hymanslp. 289 n. 4.

2) Max Rooses in Onze Kunst, 1902 bldz. 172.

Sluiten