Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van hoornen, 't zwaardgesuis: ik schouwde 't veld

En voelde 't wappren in den morgenwind

Der helmpluim; 'k zag de legerplaats, het spel

Van vuurgloed, wind en duisternis. Ik ijlde

Hen te gemoeten, waande een koningskamp

Te kampen als de koon'gen in het lied

Der zangers, wild als storm van golven op

De kust, geweldig als het noodtij. O!

Zaagt ge ooit smaad voller eind! Vervloekt die tranen!

Hij weent bedwongen en keert zich af van Detlef. Deze staat spraakloos. Als Svend zich bedwongen heeft en hem weet aanziet, spreekt hij halfluid.

Detlef.

Het schemert reeds. Ik moet thans gaan. Ge ziet Mij te Roskild.

SvEND.

Wat wilt ge? Neen, gij blijft!

Detlef.

Onmoog'lijk, Heer! Ze herkenden mij! Bedenk,

Ze troffen mij bij nacht in 't slot, 't zwaard in De vuist... mijn leven geldt het!

svend.

Ge beeft en smeekt! Zoo nietig werd mijn naam, dat mannen beven In mijn geleide. Ah, ik zal koning zijn,

Zij 't voor 't laatst! Ga, kleed u naar uw rang En keer hier in de hal.

Klokgelui in den toren van het slot.

Het feest begint!

Zesde Tooneel.

Als Detlef de hal verlaten heeft, treden verscheidene edelen binnen. Het is schemerig geworden. Men brengt lampen en sluit de luiken. Thorbeer en enkele andere edellieden treden toe op Svend en spreken met hem. Svend heeft zich gezet in den troonzetel en geeft weinig acht op hun woorden. Waldemar en Knud treden binnen, gevolgd doot enkele edelen. Voor hen staan als voor Svend troonzetels gereed. Doch zij zetten zich nog niet. Twee edelen van Svends partij staan op den voorgrond en spreken met elkaar.

Eerste edelman. De praler viel in zwijm, toen 't bloed vloeide.

Tweede edelman. Bij God, hij had recht hem te slaan.

Eerste edelman. Zie, ginds komt hij.

Tweede edelman, (tot den naderbij komende). Ge deedt een goed werk. Niels, mijn hand ervoor!

Sluiten