is toegevoegd aan uw favorieten.

Het archief der heerlijkheid Ruinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17. „Minute van de memorie aan Sijn Hoogheid overgegeven „op den 15 Febr. 1778", houdende verzoek uitdrukkelijk te bekrachtigen de door Drost en Gedeputeerden in 1768 gemaakte schikkingen ten opzichte van de door Drente aangekochte heerlijkheid Ruinen, bepaaldelijk met betrekking tot de jacht; met op het stuk gesteld uittreksel uit het antwoord van den stadhouder. 1778.

1 omslag.

NB. De memorie is opgesteld door den drost van Drente S. P. A. van Heiden, als vertegenwoordigend heer der heerlijkheid.

Hierbij een afschrift van den brief d.d. 21 Febr. 1778 van den stadhouder aan Drost en Gedeputeerden.

Vergelijk resolutie Ridderschap en Eigenerfden dd. 24 Maart 1778 en Inventaris oude Staten-archieven van Drente Nos. 1214, 1215 en 1217.

18. Stukken betreffende het proces voor den Raad van State gevoerd door de ingezetenen van Haaks- en Buddingwolde tegen den heer van Ruinen Henrick van Monster over diens eisch, dat zij die geen rosmolens bezitten hun koren op zijn windmolen te Buddingwolde zouden laten malen. 1616—1620.

1 dossier.

19. Verantwoordingen door (den schulte van Ruinen C. Kiste) en Joannes Kesselman van de door hen van den heer van Ruinen ontvangen gelden ter bestrijding hunner onkosten op reizen, door hen voor den heer over 22 October 1616—1619 October 14 gedaan. 1617—1619.

1 bundel.

NB. De verantwoordingen over 1616—1617 zijn van de hand van W. Olffen, die over 1619 van J. Kesselman. »

Uit de verantwoording van Olffen blijkt, dat door hem reizen zijn gedaan in verband met het proces over de hofdiensten (zie N°. 14), zaken van huiselijken aard, het geschil over de vic&rie (te Gasselte) (vergel. N°. 23) en om den leenbrief uit Munster af te halen (sic).

ÜO. Request, met bijlage, van J. P. Lefferts, Cooet Alberts Winkel en J. van de Wetering, als vroegere eigenaars der heerlijkheid Ruinen, aan den drost van Drente S. P. A. van Heiden als vertegenwoordigend heer dier heerlijkheid, om hen tegenover de boer van Ruinen te handhaven in 't recht om