is toegevoegd aan uw favorieten.

De levensdroom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wier vingren boersch een rietenfluit omspanden.

Haar kleed was paars en rood en geel, zoo diep Van kleur als rijpe pruimen, peren brandden

En om haar hoofd graanblonde golving liep,

Haar hoofd blozend en blank als bloesemkronen Waarin het donker oog droomerig sliep. —

Toen zei zacht zangerig de trotsche schoone:

„Kies tusschen ons, maar weet: 'tis voor uw leven," —

Een teere blos kleurde haar bleeke koonen.

En zij zag neer wijl de andere opgeheven

Bleef staren zonder lach of mondgetril.

„'k Wil mij aan u voor heel mijn leven geven":

Voor haar die sprak knielde hij, maar zeer stil Wenkte zij hem te wijken: „Niet zoo snel,"

Zei ze: „nog kent gij niet uw waren wil.

Luister der toovring van ons beider spel:

Ons beider vreugde en leed moeten wij spreken —

Misschien, mijn vriend, kiest gij haar gaven wel..."

En wijl een traan uit 't glanzend oog kwam leken Hief zij haar lier en greep in zilvren snaren,

Zoodat een heldre ruisching uit kwam breken

Wier tonen klaar als manestralen waren,

En in zijn droom ving aan een nieuwe droom: Wegdrijvend als in zoele zachte baren

Viel hij in slaap, wijl de geluidenstroom Beelden opstuwde in zijn ontvanklijkheid —

Zij woelden, deinden, rezen aan den zoom