Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kleed van haar lijf te ontgespen, en haar stem Stamelde wel, doch weerde niet, en 't blanke Gloeiende lichaam sloot in teedren klem

Zich aan het zijne. In 't ritslend halmenranken Lagen ze en stoeiden en na 't zoete spel Gloeiden hun oogen vol van zalig danken. —

Zij gingen wonen aan een zilvren wel.

Hun lichte kleine hut rees in gebladert

Van schoone boomen waar geen zongloed schel

Doorheendrong. Stammen door en twijggeadert Blonk wijde vlakte en hemel, stroom en ster. Want een rivier hun stille oase naderd'

En weiden, korenvelden, glansden ver Van bloemen, schoven; en de bloesemtuinen Omdonsden stralend 's voorjaars her en der

Hun breede lanen, kronkelige kruinen.

Gelukkig woonden zij in zomergloed,

En wen de winter op het sneeuwveld schuine

Stralen deed glinstren, wen als goud en bloed De herfst hun bosch doorluisterde, slechts éen Zaligheid miste: een kindje, hun gemoed.

Doch hij werd krank en met verheeld geween Zat ze aan zijn bed, maanden, en toen hij rees Was hij zeer zwak en bleef dat lang: alleen

Kon hij niet loopen en zijn stem was heesch. Zij was zijn troost, zijn moeder, hij haar kind, 't Vergeefs verlangde, aan wien zij teerst bewees

Sluiten