Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door kleinste zorgen hoe zij hem bemind' — En door haar trouw was hij weemoedig wel Om haar, doch om zichzelven blij-gezind.

En wen zijn fluit hij somtijds hief tot spel

En hij hun liefde en hun geluk bezong,

Dan klonk zijn toon wel niet meer hoog en schel

Maar diep en warm, dat in haar ziel hij drong Die dankzei met eenvoudig edel woord. — In nieuwe lente werd de wereld jong

En hij weer sterker, 't Warme woud bekoord'

Hen tot een wandling en zij rustten uit

\\ aar hen een mosbank en een boomstam schoord.'

Zij hoorden niet het rommelend geluid Dat naderde altijd dreigender nabij:

Schooner dan ooit bespeelde hij zijn fluit.

Hoe klonk zoo fier en zoo verrukt, zoo vrij,

Wijl 't komend onweer donderde en het licht Al flitste door 't getwijg, zijn melodij?

Opeens kronkelde omneer een felle schicht En zonder kreet stortte zij aan zijn zij En een plasregen ruischte er eensklaps dicht

Van groote koude dropplen op hen bei, —

Maar zij was dood en hij verdwaasd, omniet Gilde om vernietiging zijn wild geschrei:

De bliksems hoorden zijn gebeden niet En togen verder, en hij bleef alleen Met haar beweegloos lijf in 't schril gebied

Sluiten