Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat zij een grot scheen over 't breede water En over heel de lage duinenrij Van geelgekroonde heuvels, die het strand Bezoomden. — Orfeus stond daar, op zijn lier Geleund, die dof scheen in de zonneloosheid Van waazge duisternis. Zijn hoofd was bleek, Zijn oogen staarden wild, als van een man, Die in krankzinnigheid het zeestrand zoekt, Omdat zijn kind daar stil bedolven ligt Onder de klagend-grijze, woeste golven.

Zijn kind? Zijn vrouw, zijn schoone Eurydice Was in het land der neevlen, die de kim Omwolkten, alsof zwartgemuurde holen Den stroom begrensden in het vreemde rijk Van Hades. — Orfeus hief zich kreunend op En strekte machtig zijn gespierde hand; — Hij greep zijn lier, tilde haar zacht omhoog, En over 't water schalde toen zijn klacht,

Zijn zware klacht, die in een koortsig lied Van grooten hartstocht, stormde van zijn smart, Zooals orkanen langs de luchten gaan En echoos roepen van de hemelmuren,

Van de laag-heuvelende duinewanden En van de golven, die hun toornig schuim In krommen trots van rots tot rotsen dragen. — Toen daalde van het duin een wijde schaar Van grijze dooden en gemompel viel Neer op den zanger, die daar bevend stond, Terwijl zijn borst in hevig ademhalen Nog zwoegde — in bleeke verten stierf de stem Van uitgebrulde smart, die al de dooden Geroepen had tot hem, den eenen mensch.

En op den stroom kwam nader, wijl de riemslag In doffen rythmus klonk, een sombre boot.

Daar zat een grijsaard, wien de vale lokken Om 't voorhoofd vielen en een wreede trek Lag in de vuile voren om zijn mond; —

Sluiten