Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En langzaam weken de overgrijsde duinen Aan 't wijde strand en rotsen naderden Aan de andre zijde van den grauwen stroom.

III.

Een hooge grot rees met gebogen wanden, Gewelven vormend, waar het druipsteen hing, Dat rood gloeide in den schemer van de toortsen, Die walmend brandden. — Nevelen doorgrijsden Den wijden zaal en stegen uit de krochten,

Wier openingen zwarte vlekken schenen In 't spichtig-scherp afhangend rotsengeel. Er stonden grauwe en ordelooze legers Van mist-omharnaste, maar krachtelooze, Flambouwendragende, wildziende schimmen, Die stonden om een hoogen rotsentroon.

Daar zaten Hades en Persephone,

Die somber blikten door de nevelhal;

Hun oogen rustten niet en waarden trotsch,

Maar zonder vreugde, door hun doodenrijk Van doffe stilte en zuchtende geluiden,

Die om hun zetel stegen. — Daar weerklonk Opeens een toon, met meer dan ijle klachten Doorweven, alsof plotseling een lied Van godensnaren van den hooge' Olympus Neerdaalde en 't rotsenhuis der onderwereld Met overmoedige schoonheid binnendrong.

Zong soms Apollo, dat de bergen scheurden En weerklank trillen bleef in 't zwart gebouw? De schimmen staarden wezenloos, beangst, En Hades schudde zijn nachtsombre haren,

Zoodat zijn diadeem in 't fakkellicht Hel flonkerde. — Persephone zat stil En luisterde. — Het waren zachte tonen,

Die zij op de aarde wel gehoord had, toen Zij nog een kind was en de vogelstemmen

Sluiten