Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn jeugd zien blinken en mijn zaligheid!

Ik ken u aarde en 'k gaf mijn rotsenrijk

Voor haar, de lachende, de glansomhuldel —

Hiér is het eeuwig nacht en bleeke dood. —

Ben fk dan dood, dat ik de dooden zie

Verschijnen om mijn troon — een toornig vorst,

Die hard is als deez' rotsen, waar mijn zetel

Op is gevest? — Persephone, en ü,

U zocht ik op de bloemendragende aard,

Om u te voeren in mijn eeuwig leed!

Zeusl Gij werdt wereldkoning 1 Was ik minder,

Was dit mijn keuze? Maar het zij zoo, — groot,

Groot wil ik zijn en heerschen 1 Mensch, hier is

De dood, de nacht — wat gaat gij om een schim

Weg van de wereld, die u toelacht, u,

Die haar begrijpt en voelt en zeggen kunt?

Ga heen en leef, geniet der wouden schoon,

Der zeeën zang, der sterren stille pracht —

Maar zoek geen leven in het schimmenrijk 1"

Toen rees Persephoné en in haar blik

Lag blijde erinnering aan teere bloemen

En aardeschoonheid en haar stille stem

Rees als de zuiderzucht op gouden halmen

Van 't rijpe graanveld, als het zomer is:

»Hebt gij, mijn koning, nog uw Kora lief?

Geef hem zijn wensch I Zijn zang was mij zoo schoon,

Hij riep mij weer dat liefelijk verleden

Van zonnegloed en ongestoorde jeugd.

Ik heb verloren al dien blijden glans

En kan oók voelen, wat deez' zanger voelt.

En zend ik niet, wen stralende de lente

Op aarde weerkeert, mijn volschoone boden,

Mijn teere bloemen? 't Heerschen valt mij hard,

Ook aan üw zijde, Hades, want de gloed

Der vrededalen rust niet in uw rijk.

Geef hem zijn wensch! Zijn zang was mij zoo schoon,

Laat hem niet klagen, eeuwig, als mijn smart

Sluiten