Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Muzenzonen op; gij ziet ze zeven jaar later en zij gaan, als schimmen, stil en koud, zijn als een grond dien de vijand met zout bezaaide dat hij nooit een grashalm uitspruit, en als zij spreken, wee hem die ze verstaat, die in de stormende Titanenkracht, gelijk in hun Proteuskunsten, den wanhoopsstrijd slechts ziet dien hun ontwrichte schoone geest met de Barbaren voert die hun in den weg kwamen.

Op aarde is alles onvolmaakt, is het oude lied van de Duitschers. Wanneer toch eens iemand tot deze van God veriatenen zei dat bij hen daarom alleen alles zoo onvolmaakt is, omdat ze niets reins onbedorven, niets heiligs door hun plompe handen onbetast kunnen laten, dat bij hen niets gedijt, omdat ze den wortel van alle gedijen, de goddelijke natuur niet eeren, dat bij hen het leven zelf wee en zorgenzwaar en overvol van koude en stomme tweedracht is, daar zij den geest versmaden, die kracht en adel in het menschelijk doen en opgewektheid in het leed en liefde en broederschap in steden en huizen brengt.

En daarom vreezen zij ook den dood zoozeer en lijden om den wille van hun oesterleven, allen smaad, omdat zij niets hoogers kennen dan het maakwerk dat ze zich geflikt hebben.

O Bellarmin! als een volk het schoone liefheeft, als het den geest in zijn kunstenaars eert, dan waait, als levenslust, een algemeene gezindheid; de schuwe zin opent zich, de eigenwaan smelt, en vroom en groot zijn alle harten en helden baart de geestdrift. Het vaderland van alle menschen is bij zulk een volk en gaarne verwijlt er de vreemdeling. Maar waar zoo de goddelijke natuur en haar kunstenaars worden beleedigd, ach! daar is de beste lust van het leven weg en iedere anderester is beter dan de aarde. Woester aldoor, doodscher worden daar de menschen, die toch allen schoon geboren zijn: de slaafsheid groeit, met haar de grove moed, de roes met de zorgen, en met weelde de honger en de angst om voedsel; de zegen van het jaar wordt vloek en de goden vluchten.

En wee den vreemdeling die uit liefde reist en bij zulk een volk komt, driemaal wee hem, die, zooals ik, door groot verdriet gedreven, een bedelaar zooals ik, tot zulk een volk komt.

Sluiten