Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

GEDICHTEN De Eiken

Uit de tuinen kom ik tot u, gij berggeboornen!

Uit de tuinen waar de Natuur geduldig en huislijk

Koestrend, gekoesterd, leeft met de vlijtige menschen.

Maar gij, heerlijken, staat als een volk van Titanen

Midden 't getemde volk, behoort uzelf en den hemel

Die u kweekte en voedde en de aarde die u baarde.

Geen van u allen is ooit gegaan in scholen van menschen

En gij dringt u, vroolijk en vrij, uit den krachtigen wortel,

Neven elkander omhoog en grijpt, als zijn prooi een aadlaar,

Met uw geweldige armen de ruimte, en tegen de wolken

Richten vroolijk en groot, zich uw zonnige kronen.

Ieder van u is een wereld, als sterren des hemels

Leeft ge, een god gij elk, tezaam als vrije verbondnen.

Konde ik het knechtzijn lijden, ik benijdde

Nooit dit woud en sloot mij graag aan 't gezellige leven.

Boeide 't gezellige leven maar niet dit hart mij,

Dat van de liefde niet laat, hoe graag zou ik neven u wonen.

Aan de Groote Dichters

De Ganges hoorde den triomf van den vreugdegod Toen naadrend van den Indus de alveroveraar, De jonge Bacchus, kwam met heilgen Wijn uit hun sluimer de volken wekkend.

O wekt, gij dichters, wekt uit hun sluimer hen Die nu nog slapen, geeft ons de wetten, geeft Ons leven, heerscht, Heroën! gij slechts Hebt een veroveraarsrecht als Bacchus.

Sluiten