Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn ziel wierp hij voor het volk, verried

Aan gemeen en goedmoedig de gunst van goden,

Doch wrekend hoonlachte leege weergalm

Uit doode borst genoeg hem tegen.

En een tijd verdroeg hij het, pijnde zich

Geduldig, begreep niet

Waar het aan haperde, dan wies verwaten

Het volk zijn dronkenheid; verbijsterd

Vernamen zij 't, als hem van eigen woord

De boezem beefde, en zeiden:

Zoo spreken Goden!

Dan gaven namen die ik u niet noem

Den trotschen treurende de knechten.

En eindlijk neemt de dorstende het gif,

De arme die met zijn geest niet weet

Waar hij zal blijven en zichzelf niet vindt,

Hij troost zich met de razende

Aanbidding, en, verblind, wordt hun gelijk,

Den ziele-leêgen bijgeloovigen;

Zijn kracht ontweek hem,

Hij gaat in nacht en weet niet

Hoe zich te helpen, en wij helpen hem.

MEKADES

Is dat zoo zeker?

HERMOKRATES

Ik ken hem.

MEKADES

Een overmoedige aanspraak valt mij in.

Hij hield die op de Agora.

Ik hoorde 'm zeggen tot het volk: gij eert me en Doet wel daaraan,

Want de natuur is stom,

Zon, lucht en aarde en al de uit hen geboornen

Leven vreemd met elkander,

Eenzaam, als niet verwanten.

Wel wandlen in den godlijken geest

Sluiten