Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrije eeuwig-krachtge wereldmachten Rondom de verganklijke,

Doch wilde planten Op wilden grond Zijn in den schoot van de goden Alle sterflijken gezaaid,

De karig gevoeden, en dood Scheen hun de bodem als één niet Levenwekkend hem pleegde.

Mijn akker pleegt hij. Mij maken Kracht en ziel tot één wezen Sterflingen en goden.

En warmer omvangen de eeuwige machten

Het strevende hart en krachtger gedijen

Door den geest van vrijen de voelende menschen,

En deel aan mij heeft

Wat mij niet kent en toch moet noemen,

En de liefde van levenden

Draag ik van de een naar d' ander,

Wat d' een ontbreekt

Breng ik van d' ander,

En bindend

Beziel en verander,

Verjong en versnel ik

De aarzlende wereld

En geen en allen gelijk ik.

Zoo sprak de overmoedige.

HERMOKRATES Dat is nog weinig. Ergers sluimert in hem. Ik ken hem, ik ken ze, de overgelukkige Door den hemel verwenden,

Die alleen hun ziel voelen.

Als eenmaal hen 'toogenblik opschrikt —

En licht geraakt zijn de kwetsbaren —

Dan stilt hen niets meer, brandend Drijft hen een wond, ongeneeslijk Gist het in hen. Ook hij! Hoe stil hij schijne Toch gloeit, sints het volk hem mishaagt,

Sluiten