Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weg dan met hem die de eigen ziel en Haar goden bloot geeft, die vermetel Het onuitspreekbare wil spreken,

Die zijn gevaarlijk goed als ware 't water Verspilt en uitstort: erger is dat Als moord, en gij spreekt vóór zulk een?

Beleutren wilt ge 't onafwendbare?

Laat dat! Het is zijn noodlot. Zelf Maakte hij 't zich, en zoo moet elk Ondergaan in ellende en dwaasheid, die Godlijks in menschehanden levert.

Weg met hem!

MEKADES

Zoo zwaar moet boeten wie het beste

Wat hij bezit, zijn ziel, vertrouwt aan menschen? -

HERMOKRATES

Het doen staat vrij, maar 't Noodlot blijft niet uit.

Hij mag met woorden grootdoen, mag

Het kuisch-verzweegne leven verontreingen,

Zijn zielsgoud delven aan 't gemeene licht:

Gebruiken mag hij wat aan sterflijken

Niet tot gebruik gegeven werd: zijn eigen

Verderf komt, eer hij anderen verderft.

Is zijn verstand niet al verward? is hem

Onder het volk de volle ziel niet,

De overgevoelige, al genoeg verwilderd?

Hoe is hij al een eigenmachtige

Geworden, deze alles-meedeelende

Goedwilge man! hoe is hij zoo veranderd

Tot een verwaatne die als spel van zijn handen

Goden en menschen acht.

MEKADES

Vreeselijk spreekt gij, priester. Nochtans dunkt Uw donker woord mij waar. —

Sluiten