Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij holp zich zelf van kant, en dat bij velen Meest wordt beklaagd, is dat men niet vernam Noch zag hoe zij tot zulk een ende kwam.

k Zal evenwel u, naar mijn beste onthouwen, Het deerlijk end der droeve ziele ontvouwen. Mevrouw, vergramd ten drempel opgetrêen,

Vloog dadelijk naar bruidsbed, daar ze alleen Na t sluiten van het slot en kamerdeuren, De vlechten van het hoofd begon te scheuren, Om Laius, lang gestorven, riep met kracht, Den eersten man weer ophaalde, en gedacht,

En de oorzaak van zijn dood, zich, zonder hoeder, Beklaagde, als een verlate en droeve moeder Voor haren zoon tot zulk een kinderteelt; De dubbele echt en t bruidsbed zich verbeeldt; Hoe ze uit een man zich mannen baarde, en kinders Uit kinderen, al stof tot zooveel hinders.

Of zij 't hierop bestorf, dat weet men niet:

Want Edipus al jammerende schiet Ter kamer in, waardoor wij niet aanschouwen Haar ongeval, maar de oogen stadig houwen Gehecht op hem, die hene en weder liep.

Hij vloog al voort met groot misbaar, en riep Geweer, geweer ons allen toe, en vraagde W aar hij zijn vrouw en moeder, de beklaagde, De moeder van zijn kindren, vinden mocht.

Terwijl hij raast, 'k weet niet wat God hem brocht Tot kennis: want hem niemand van ons allen Dit wees. Hij schreeuwde, als waar hij overvallen, Van iemand voortgerukt in dit rumoer.

Hij loopt met kracht de deuren op den vloer, De hengsels uit de posten, dat ze bogen.

Zoo komt hij dol ter kamer ingevlogen,

Daar wij, helaas, de koningin, o strijd !

Zien hangen aan een koord geknoopt. Hij krijt Haar schriklijk aan, met opgespalkte blikken,

Poogt fluks de koord van haren hals te ontstrikken, En worpt zich op den vloer verbaasd in 't stof.

Daar zag men een droef schouwspel op het hof:

Sluiten