Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn misdaad heb verdubbeld, en vergroot?

Maar 't aanzien van mijn telgen, in haar bloeien, Valt aangenaam: men ziet ze gaarne groeien. Voorwaar, ik kan dees stad met mijn gezicht Niet aanzien, noch haar torens, noch 't gesticht Der kerken of de beelden van de goden,

Die me in dees stad getrouw hun hulpe boden, En eerelijk opvoedden, 'k Heb gestoord Door mijn besluit, een hoog gesproken woord, Vrijwillig mij van al dit goed versteken,

Besloten dat zich elk aan mij mocht wreken, Verdrijven dien godloozen, eenen man Zelfs van de goön besmet gedoemd, en van Vorst Laius bloed, toen ik mijn schandvlek meldde, Mijn bloedschandaal al 't volk voor oogen stelde. Hoe kon ik hen met schaamtlooze oogen zien? Onmogelijk: en zoo het kon geschiên Dat ik mij zelf 't gehoor benam, 'k wou de ooren Straks sluiten om een ander niet te hooren, En teffens blind en doof zijn; want het is Een groote troost in groote droefenis Dat iemand al zijn zinnen wordt benomen.

Citheron, wat mocht gij mij wellekomen? En waarom holpt gij 't kind niet ras van kant? Zoo had men nooit van mijn geboortestand Geweten, o Vorst Polybus, landouwen,

Korinte, valsch mijn vaderland gehouwen, Wat hebt ge mij, een gruwzame etterplaag,

Gelijk wat schoons, wat eêls, gevoed zoo graag! Nu oordeelt elk mij snood van snoön gesproten, o Driesprong, o bosschaadjen, dicht besloten In schaduwen! o boomen! enge plaats Des driesprongs, die mijn vaders bloed, vol smaads Vergoten van dees handen, hebt gedronken, Gedenkt u niet hoe mijne gruwlen stonken,

En hoe ik uit dien moordhoek herwaart kwam? Dit kwaad bedreef? o bruiloftstorts, o vlam,

Brocht gij ons voort? ontvingt ge na het baren Het zelve zaad, en teelde door het paren

Sluiten