Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En menig klaaglijk woord

Zuchtten de zieners van de vorstenwoning:

»Wee, wee, dit koningshuis en zijnen koning!

Wee t bed dat houdt de kreuk van man-verliefde leên

In diepgekrenkte smadelooze zwijgenis

Van grootste smart zit een alleen

En let niet op ons spieden ...

Haast zal een schim, geen koning door 't gemis

Der overzeesche hier gebieden!

Gratie van beeld en zuil

Staat den man ontschoond, ontwijd:

Uit der oogen verlatenheid

Ging al liefde schuil...

En droombelichte Schijn-tastbare gezichten

Staan aan zijn spond in haar vervoering ijdel:

Het is veigeefs dat men naar droomen de armen reikt:

Het beeld glipt door de vingren, wijkt

Langs paden van den slaap, op onvernomen

Vleuglen van slaap zooals het is gekomen..

Zulk leed op konings haardsteê brandt.

Dat aldoor verder verder spreidt zijn kille vlam:

Alom vanwaar uit het Helleensche land

De manschap samenkwam,

Zit hooggestoeld in elke kluis

Smart die de harten smelt

En met gedachten veel de borst berent;

Want wel weet men wien men zendt,

Maar voor man die was.

Keert naar huis aan huis

Vaas en asch ...

Ares, bloeiender lijven wisselaar,

Die in den lansenstrijd de weegschaal houdt.

Zendt van uit Ilios zijn vuurgelouterd, baar,

Tranendrinkend stofgoud.

Hij vult met kloeker mannen asch

Urnen licht te beuren.

En zingen weeuwen onder 't treuren

Haars dooden lof. hoe hij slagvaardig was,

Of eervol in moordslachting viel—

Dat het om anders vrouw geschiedde,

Grijnst starre stillte luid ...

Sluiten