Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BODE Geen is die iets weet dat hij zeker kond kon doen

Dan die den groei van leven kweekt uit de aard, de Zon. KEI En hoe wel, zegt gij, kwam over 't zeeschepend heir

De storm en ging weêr door en met den toorn der goön? BODE Een dag van goede tijding met kwaadboodsche tong Ontwijden voegt niet. Zonderlijk der goden eer!

Als bode rampen af-te-bidden aan zijn stad Met stug-droef voorhoofd brengt van 't laaggelegde heir. Voor de gemeenschap éene wond, de slavernij,

Kn d'enklen, hoe van huizen veel de heeren zijn Gedoodwijd met de dubble zweep die Ares mint, Verdelgings twee-speer, purperbloedig samenspan. — Als een met last van zulke rampen gaat gepakt,

In diens mond stemt dees lofzang der Erinyen.

Maar die als blijde bode van geslaagden tocht I ot zijn stad inkomt, die vreugd maakt om haar geluk. — Hoe moet ik goed nieuws mengen dan met kwaad, verhaal Van storm waar toorn der goden meê de Achaiers zocht ? Want samenzwoeren, grootste vijanden voordien,

De zee en t luchtvuur, en zij vierden hun verbond Met de verdelging van 't rampzalig Griekenheir,

t Was in den nacht dat golveschuimend rees 't verderf. Thracische winden brijzelschokten op elkaêr De schepen, en die. noodschiks stootend hoorn aan hoorn. In stormewervlend hagelklettrend golfgewiel Verzonken onder boozen herders dwarreldwang...

En toen weer boven t schittrend licht kwam van de zon. Zien wij den spiegel der Aigaische zee bebloemd Met lijken van Achaiers, wrakken van de vloot...

Doch ons en 't enkel schip had, onverlet van kiel,

Heimlijk behouden of uit al gevaar geloodst Geen mensch, een god wel, die de stuurpen had geraakt. Reddend geluk voer met ons mede, zat aan boord,

Dat niet door lekke voegen golfslag 't water drong Of 't schip te landen op rotssteile kusten sloeg.

En toen, ontkomen aan den donkren zeeëdood,

Al in het witte daglicht zelf niet lijfgerust,

Weidden we in ons gedachten al weêr nieuw verdriet Om 't leger hoe 't omkwam en boos geteisterd werd.

En nu — als een van genen nog bij-adem is,

Praten van óns ze als omgekomen... Hoe zou 't niet ? En wij van hèn vermeenen dat 't hun zoo verging.

t Kome uit als best is! Toch, van Menelaos moogt Gij eerst en meest verwachten dat hij keeren zal.

Sluiten