Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door het voorgaande acht de Commissie voldoende toegelicht en gerechtvaardigd, wat nopens de vaststelling der aan de heffers uittekeeren schadeloosstelling, door haar in Hoofdstuk I van het Concept-Ontwerp is voorgesteld.

Bij de door haar ontworpen regeling nopens het bedrag der grondrente, welke, in stede van den afgeschaften tiend, voortaan jaarlijks aan het Rijk zou zijn verschuldigd van elk bij het in werking treden der wet nog tiendplichtig perceel, waarop in den laatsten tijd althans eenige akkervrucht is verbouwd, is de Commissie uitgegaan van het denkbeeld, dat die grondrente ten minste 1/t % meer zal moeten bedragen dan de jaarlijksche interest, waartegen de Staat het geld heeft geleend, dat als schadeloosstelling wegens do opheffing van het op zoodanig perceel tot dusver bestaan hebbend tiendrecht, door hem is uittekeeren. Immers de belangrijke kosten, welke de voorgestelde wettelijke maatregel voor 's Rijks schatkist met zich zal brengen, behooren allen te worden gedekt door dit voordeelig verschil tusschen den jaarlijkschen rentevoet, waartegen de Staat zich het noodige geld verschaft tot uitkeering aan de voormalige tiendheffers van het perceelsgewijze vastgesteld bedrag der hun toekomende schadeloosstelling, en het percentage, dat van deze onderscheidene bedragen, als tiendvervangende grondrente, jaarlijks aan den Staat zal zijn optebrengen.

Gaat men dus — zooals in de verschillende bepalingen van het Concept-Ontwerp duidelijkheidshalve is gedaan — van de onderstelling uit, dat de Staat het voor de volledige uitvoering der wet benoodigd kapitaal wel tegen 4 % al pari zal kunnen leenen, dan behoort ieder bij het in werking treden der wet nog tiendplichtig perceel, waarop althans in de laatste 30 jaren de tiend niet sliep, ten behoeve van 's Rijks schatkist te worden bezwaard met eene grondrente, vertegenwoordigende 41/» % van 'lgt bedrag, hetwelk voor dat perceel den tiendheffers als schadeloosstelling is toegekend.

Dat de hierboven vermelde maatstaf, door de Commissie aangenomen bij de berekening van hetgeen de eigenaars der van tiend ontlaste perceelen voortaan als grondrente aan den Staat zullen hebben optebrengen, voor dezen allerminst bezwarend is te achten, behoeft weinig betoog. Men mag het er toch gerust voor houden, dat, wanneer de Staat zich het tot uitvoering der wet benoodigd kapitaal tegen geen lagere rente dan van 4 % 's jaars kan verschaffen, de interest, waartegen particulieren het geld zouden kunnen leenen, voor den afkoop der op hun grond rustende tienden gevorderd, het bedrag van 4l/a % 's jaars eer zal overtreffen dan daaronder blijven. Bovenal verlieze men niet uit het oog, dat het voorgesteld bedrag der grondrente, berekend naar den hierboven vermelden maatstaf, in ieder geval een veel geringere geldswaarde zal vertegenwoordigen, dan hetgeen uit de daarmee voortaan te belasten perceelen, in de laatste vijftien jaren gemiddeld jaarlyks aan tiend is opgebracht.

Dit laatste kwam der Commissie billijk voor, omdat evenzeer tegenover de plichtigen als tegenover de heffers met de onzekerheid en de wisselvalligheid der tiendinkomsten behoorde te worden rekening gehouden. De plichtige, die bij de inrichting zijner cultuur het tot nog toe eenigermate zelf in de hand had, of van zijn land al dan niet tiend verschuldigd zoude zyn, verliest deze vrijheid, wanneer de tiendlast wordt omgezet in eene

Sluiten