Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermits door de afschaffing hunner slapende en novale tienden de kans voor hen verloren gaat, om van de landen, die er door gedrukt werden, nog eenmaal tiendinkomsten te genieten, evenzeer behooren de plichtigen iets te betalen voor de bevrijding van het gevaar, dat zij nog steeds liepen, om bij eene eventueele in cultuur brenging van hunnen grond, daarvan tiend te moeten betalen.

Die bedoelde minderheid nu zou wenschen dat, waar de Staat de heffers van slapende en novale tienden schadeloos stelde, hij de plichtigen dezer tienden met eene grondrente belast te, maar dat aan de plichtigen de keus werd gelaten, of van hunne landen :

hetzij dadelijk eene grondrente jegens den Staat verschuldigd zoude zijn, gelijk aan 41/2 °/0 van hetgeen den heffer is vergoed;

hetzij eerst dan eene grondrente jegens den Staat verschuldigd zoude wezen nadat op hun land tiendvruchten verbouwd zijn, welke grondrente in dit laatste geval echter gelijk behoorde te zijn aan 41/» % der kapitaalswaarde van de gemiddelde tiendopbrengst, waartoe dat land, bij verbouwing van tiendvruchten, alsdan in staat zou zijn te achten.

Het groote bezwaar echter, dat tegen dit stelsel bij de meerderheid der Commissie rees, bestond hierin, dat de in het tiendrecht opgesloten belemmering ten opzichte van bodem- en cultuur verbetering op deze wijze zou blijven nawerken, omdat de plichtigen, welke tot nog toe niets betaalden, er niet licht toe zouden overgaan om bij het in werking treden der wet de dadelijke belasting van hun land te verkiezen boven de eventueele, en omdat, wanneer niet aan de dadelijke belasting de voorkeur wordt gegeven, de vrees zeer zeker gewettigd is, dat eene bodem- of cultuurverbetering, welke tevens de betaling eener vrij aanzienlijke grondrente met zich brengt, door hen wel altijd achterwege zal worden gelaten.

De boven uiteengezette denkbeelden zijn neergelegd in het Concept-Wetsontwerp, hetwelk met de begeleidende memorie van toelichting aan dit Verslag is toegevoegd.

Bij de samenstelling van dit ontwerp is tusschen de rechtsgeleerde leden der Commissie op een tweetal principieele punten verschil van gevoelen gerezen.

Het eerste punt betreft de wijze van berechting der geschillen, over het bestaan, den aard en den omvang der opgeheven tiendrechten. Volgens het Concept-Ontwerp berust de beslissing van zoodanige geschillen aanvankelijk bij de, in art. 18 vlg. nader omschreven Tiendcommissiën, wier uitspraken door een beroep op den burgerlijken rechter - t. w. het Gerechtshof - aan eene nadere beoordeeling van dezen kunnen worden onderworpen. Cassatie door den Hoogen Raad zal echter, volgens het Ontwerp, in deze materie zijn uitgesloten.

Eene minderheid nu in de Commissie wenschte, dat van de uitspraken van het Hof cassatie zouden worden toegelaten. Terecht, aldus redeneerde zij, worden in het Concept-Ontwerp de uitspraken der tiendcommissiën als geheel voorloopige beslissingen aangemerkt, waarvan beroep op den burgerlijken rechter, het Hof, openstaat. Maar de uitspraken van het Hof zijn voor geen hooger beroep vatbaar. Onder die omstandig-

Sluiten