Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het bepaalde bij de artt. 5 tot en met 19, bij het laatste lid van art. 25 en bij de artikelen 26 en 27 der Wet van 5 Augustus 1850 Stbl. n°. 45 is in dat geval toepasselijk, met dien verstande, dat het verhoor wordt gehouden ter plaatse, bij de oproeping of in de dagvaarding telkens aantewijzen, en dat geene Schattingscommissie tot toepassing van het bepaalde bij de artt. 9 tweede lid, 13, 16 en 17 van gemelde Wet mag overgaan dan na schriftelijke goedkeuring van den voorzitter der Tiendcommissie, bij wien de aangifte is gedaan omtrent do tiendplichtigheid der perceelen, voor welke zij het bedrag der van rijkswege uittekeeren schadeloosstelling heeft te schatten.

§ 2. Yan het onderzoek naar de geldigheid, den aard en den «invang der tiendrechten, wegens wier opheffing aanspraak op schadeloosstelling is gemaakt.

Art. 45. De ingevolge het bepaalde in Hoofdstuk IV door de wederzijds belanghebbenden gedane aangiften en naar aanleiding daarvan ingediende memoriën blijven, met de daartoe behoorende bescheiden, vooreerst ter beschikking van de onderscheidene Tiendcommissiën, bij wie deze stukken werden ingeleverd, om door deze te worden onderzocht en beoordeeld, zoo noodig na gebruikmaking der bevoegdheden haar in de vorige paragraaf toegekend.

Zoodra dit onderzoek eenige Tiendcommissie heeft geleid tot een besluit omtrent de vraag öf en in hoeverre de in eenige bij haar ingekomen aangifte als tot dusver tiendpliclitig opgegeven perceelen, door het in werking treden dezer wet, van het daarop beweerde tiendrecht ontheven zijn, deelt zij een afschrift van haar te dien opzichte genomen besluit bij aangeteekenden brief mede:

1° aan hem, door of namens wien van dat tiendrecht aangifte werd gedaan;

2° aan de belanghebbenden bij bovenbedoelde perceelen, die, binnen den termijn in art. 33 gesteld, nopens de geldigheid, den aard of den omvang van het daarop bij de aangifte beweerde tiendrecht zich tot den voorzitter der Tiendcommissie hebben gewend met eenige memorie, als bedoeld in art. 34;

3° aan ieder, door wien met betrekking tot de schadeloosstelling, welke wegens de opheffing van bovenbedoeld tiendrecht door het Rijk mocht zyn verschuldigd het onder b van art. 67 bedoelde verzet gedaan of het onder c van evengenoemd artikel bedoelde beslag gelegd is.

Voor zooverre de aangeteekende brieven in het vorig lid bedoeld niet binnen acht dagen door of namens de geadresseerden mochten zijn afgehaald, zal de daarin vervatte mede

Sluiten