Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treden dezer wei opgeheven tiendplichtigheid eene rechterlijke uitspraak wordt verlangd.

Tegen 's Hofs uitspraak, wier inhoud en strekking bindend zullen zyn zoowel voor partijen als voor alle andere bij de uitvoering dezer wet betrokken of belanghebbende personen, zal geene andere voorziening zijn toegelaten dan die. waartoe, overeenkomstig art. 98 der Wet op de Rechterlijke Organisatie en het Beleid der Justitie, de procureur-generaal bij den Iloogen Raad in het belang der wet mocht wenschen over te gaan.

Art. 49. De gerechtskosten in deze gedingen komen ten laste van die partii of, in geval van voeging of tusschenkomst, ten iaste van die partijen, welke in het ongelijk zyn gesteld, met dien verstande evenwel, dat, wanneer des rechters uitspraak van het oordeel der Tiendcommissie mocht afwyken ten gevolge van voor liet eerst in rechte aangevoerde middelen of bewijsgronden, de gerechtskosten geheel of ten deele zullen komen ten laste van die partij of van die partijen, aan wier schuld het is te wijten dat die middelen of bewijsgronden niet ook aan de Tiendcommissie bij haar bestreden besluit bekend waren.

Overigens zullen, voor zooverre uit het bepaalde by deze wet niet het tegendeel volgt, ook op bedoelde gedingen de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en het Beleid der Justitie van toepassing zijn.

§ 3. Van liet onderzoek naar het bedrag der schadeloosstelling, voor elk tot dusver tiendplichtig perceel, in hoofdsom uittekeeren.

Art. 50. Zoodra de Tiendcommissie, bij wie eene aangifte als bedoeld in art. 26 is ingekomen, hetzij door het verstrijken van den in art. 4(5 gestelden termijn zonder dat eenige dagvaarding is geschied, hetzij door de uitspraak des burgerlijken rechters, zekerheid heeft gekregen :

a. dat het in die aangifte beweerde recht tot tiendheffing nog bestond bij het in werking treden dezer wet;

b. van welken aard bedoelde tiendplichtigheid was; en

c. welke perceelen door het in werking treden dezer wet daarvan zijn ontlast;

zullen de verschillende Schattingscommissiën, in wier districten de zooeven onder letter c bedoelde perceelen gelegen zijn, door haar schriftelijk worden in kennis gesteld van den inhoud der beslissing nopens de drie hierboven onder letter a tot en met c genoemde onderdeelen der in het tweede lid van art. 45

Sluiten