Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te verkrijgen nopens do drie hierboven genoemde praejudicieele vragen van privaatrechtelijken aard.

De hiertoe strekkende voorschriften komen in hoofdzaak op het volgende neer.

Nadat het met de uitvoering dezer wet in de eerste plaats belaste college der Tiendcommissie, omtrent de geldigheid, den aard en den omvang van eenig — als bij het in werking treden der wet nog bestaand aangegeven — tiendrecht tot een besluit is gekomen, en de strekking daarvan, overeenkomstig art. 45 van het Ontwerp, is medegedeeld aan een ieder die op zoodanige kennisgeving in redelijkheid aanspraak kan maken, zal, krachtens het bepaalde in de twee daarop volgende artikelen 46 en 47, in elk geval eerst nog een termijn van ten minste lVs maand moeten verloopen, alvorens het bovenbedoeld besluit der Tiendcommissie aan de verdere uitvoering der wet ten grondslag kan worden gelegd. En binnen dien termijn zal aan ieder, die zich door zoodanige uitvoering der wet bezwaard mocht gevoelen — tenzij hij geacht kan worden zich daarbij reeds bij voorbaat te hebben neergelegd — het recht toekomen den Staat te dagvaarden, teneinde van den burgerlijken rechter eene uitspraak uit te lokken omtrent de juistheid der antwoorden, welke de Tiendcommissie heeft gemeend op de drie hierboven gestelde praejudicieele privaatrechtelijke vragen te moeten geven.

Afwijkingen van het gemeene recht-

Hierboven werd reeds aangevoerd dat z.y, die zich in rechte verzetten tegen de wijze, waarop na ir het oordeel der Tiendcommissie aan de bepalingen der wet uitvoering behoort te worden gegeven, den Staat in een twistgeding over „burgerlijke regten" betrekken, dat naar het bekende voorschrift van art. 153 der Grondwet ,.bij uitsluiting ter kennisneming van de regterlijke Magt" behoort. Waaruit volgt dat de colleges, die van zoodanige zaken hebben kennis te nemen, het tegen den Staat aanhangig gemaakt geding zullen moeten berechten met inachtneming der gewone regels van ons formeel zoowel als materieel privaatrecht, voor zooverre daarvan bij dit Ontwerp niet uitdrukkelijk mocht zijn afgeweken.

Do afwijkingen van het gemeene recht bepalen zich in hoofdzaak tot de bijzondere voorschriften van art. 48 van het Ontwerp, volgons welke:

a. de hierbedoolde twistgedingen in het eerste en laatste ressort door het Gerechtshof zullen worden berecht;

b. 's Hofs uitspraak bindend zal zijn zoowel voor partijen als voor alle andere bij de uitvoering der wet betrokken of belanghebbende personen;

Sluiten