Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den in het Burgerlijk Wetboek gestelden regel, voor de schatkist derhalve een zeer aanzienlijk verlies opleveren.

Van daar dat, in afwijking van dien regel, de afkoopprijs der krachlens deze wet gevestigde grondrenten bij dit artikel op het vijfentwintigvoud van haar bedrag is bepaald.

Volgens dit voorschrift zal dus voor den afkoop van iedere ƒ4.50, welke, als aan den Staat verschuldigde grondrente, in de plaats van het opgeheven tiendrecht is getreden, een bedrag van ƒ112.50 zyn te besteden. En waar nu 47„ van ƒ112.50 juist ƒ4.50 bedraagt, zal de grondrenteplichtige tot zoodanigen afkoop met voordeel kunnen overgaan, zoo dikwerf deze het daartoe noodige kapitaal, onder opoffering eener geringere rente dan van 4% s'jaars, aan anderen of zich zeiven zal kunnen ontleenen.

Zyn op dien voet, na verloop van tijd, ten slotte alle krachtens deze wet ten behoeve van hot Rijk gevestigde grondrenten afgekocht, dan zal voor de ƒ900,000, waarop hierboven het gezamenlijk bedrag dezer tiendvervangende jaarlijksche grondschuldplichtigheid werd begroot, aan den Staat allengs eene kapitaalswaarde van te zamen 25 X ƒ900,000, of 22Vs millioen gulden zijn vergoed.

Daaruit zal de ten laste van het Rijk aangegane schuld van 22 millioen gulden alzoo volledig kunnen worden afgelost, en als einduitkomst der geheele rekening, voor de schatkist nog eene niet te versmaden bate van l/3 millioen gulden zijn te verwachten.

Art. 17. Hetgeen, in de plaats der opgeheven tienden, uit de daarmee tot dusver bezwaarde perceelen jaarlijks ten behoeve van den Staat zal moeten worden opgebracht, is een geldelijke heffing, die, ook al wordt zy gemakshalve, volgens het bepaalde bij dit artikel, op het aanslagbillet der grondbelasting vermeld en tegelijk met het bedrag daarvan betaald, toch niets meer is dan eene zuiver privaatrechtelijke grondschuldplichtigheid.

Wel is, tot hare vestiging door middel van de in artt. 13 en 66 bedoelde inschrijving in de openbare registers, de Staat alleen krachtens het bepaalde bij die artikelen bevoegd. En de oorsprong van het uit dien hoofde aan hem toekomend heffingsrecht is derhalve ongetwijfeld van publiekrechtelijken aard. Doch dit belet niet dat, wanneer eenmaal aan de evengenoemde bepalingen is uitvoering gegeven en de tiendvervangende grondrenten ten behoeve van de Schatkist zijn gevestigd, de Staat het jaarlyks aan hem verschuldigd bedrag dier renten, bij gebreke van voldoening, slechts door middel eener gerechtelijke uitwinning van het daarmee belaste en volgens art. 786 Burg. Wetb. daarvoor ook bij uitsluiting verbonden goed zal kunnen invorderen.

Sluiten