Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Iaat zich intusschen mot grond verwachten dat het luttel bedrag van ten hoogste enkele guldens, waarmee eenig, door het in werking treden dezer wet van tiend ontlast perceel voortaan jaarlijks ten behoeve van het Rijk zal zijn bezwaard, niet dan hoogst zelden langs dezen gerechtolijken weg zal behoeven te worden opgeeischt. Door belanghebbenden zal wel bijna altijd gezorgd worden dat, met het bedrag der van zoodanig perceel te betalen grondbelasting, tevens ook de daarvan aan den Staat verschuldigde grondrente geregeld worde voldaan, wanneer het bedrag dier grondrente, ingevolge het bepaalde bij dit artikel, op het aanslagbillet voor die belasting afzonderlijk staat vermeld en tegelijk met deze wordt ingevorderd.

De hier voorgestelde regeling zal dus, zoowel voor de administratie als voor degrondschuldplichtigen, feitelijk ongeveer dezelfde gemakken en voordeelen opleveren, als verbonden zouden zijn aan eene formeele verhooging van het bedrag, dat door de van tiend ontlaste perceelen voortaan als grondbelasting ware op te brengen. Maar in dit laatste geval zou hetgeen jaarlijks van die perceelen meer aan grondbelasting werd geheven niet afkoopbaar zijn. En daarom is aan de bij dit artikel voorgestelde regeling de voorkeur gegeven.

De vraag zal wellicht rijzen, hoe het met de inning der tiendvervangende grondrente zal moeten gaan, wanneer eenig daarmee bezwaard perceel van het betalen der grondbelasting is vrijgesteld.

Uit het bepaalde bij art. 17 valt dan allerminst de gevolgtrekking afteleiden, dat van zoodanig perceel ook geene grondrente aan de schatkist betaald zal behoeven te worden. Want niet de vermelding op het aanslagbillet der grondbelasting van de som, welke als tiendvervangende grondrente moet worden opgebracht, maar de, ingevolge het bepaalde bij art. 13 juncto art. 66, verrichte inschrijving in de openbare registers doet die som jaarlijks aan het Rijk verschuldigd zijn.

De bepaling van art. 17 heeft alleen de strekking, om hen, wier perceelen met tiendvervangende grondrenten zijn bezwaard, in de gelegenheid te stellen, het uit dien hoofde jaarlijks door hen verschuldigd bedrag op de voor hen meest gemakkelijke en minst kostbare wijze aan liet Rijk te voldoen. In de zeer enkele gevallen dus, waarin deze meest voor de hand liggende wijze van betaling niet kan worden gevolgd, zullen belanghebbenden bij het plichtige perceel er toch altijd voor hebben te zorgen dat, vóór den afloop van het kalenderjaar waarover de grondrente verschuldigd is, haar bedrag z\j gestort bij den in art. 17 aangewezen rijksontvanger.

Sluiten