Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 18. Voor de provinciën Gelderland, Noord-Brabant, Zuid-Holland en Zeeland is het tiendrecht van veel grooter beteekenis dan voor de provinciën Utrecht, Overijsel en Noord-Holland, terwijl het in Friesland, Groningen, Drenthe en Limburg öf in het geheel niet, of slechts zeer sporadisch wordt aangetroffen. Van daar, dat in het voorschrift van dit artikel ruimte is gelaten, om voor meerdere provinciën ééne en dezelfde Tiendcommissie met de uitvoering der wette belasten.

Daarvan zal nu wel het gevolg zijn dat, ook voor Limburg, Friesland en Groningen, Tiendcommissiën zullen moeten benoemd worden, ofschoon het niet is te verwachten dat zich iemand om schadeloosstelling zal aanmelden wegens de opheffing van eenig tiendrecht, dat tot dusver in d i e gewesten van ons land zou hebben gegolden. Doch uit deze laatste omstandigheid mag stellig niet worden afgeleid dat, voor die provinciën, de benoeming eener Tiendcommissie van geen belang zoude wezen en daarom maar liever niet had moeten zijn voorgeschreven. Want alleen door, ook voor die gedeelten van ons land, de gelegenheid opentestellen tot het doen der aangiften, in art. 26 bedoeld, zal bepaalde zekerheid zijn te verkrijgen, dat, wanneer binnen den in dat artikel gestelden termijn geene aanspraken op schadeloosstelling zijn ingekomen bij de voor Friesland, Groningen en Limburg benoemde Tiendcommissiën. de uitvoering der wet in die provinciën dan ook verder geheel achterwege zal kunnen big ven.

Art. 19. Zoowel uit de in dit artikel opgenomen omschrijving van den werkkring der Tiendcommissiën, als uit hetgeen hierboven in de Algemeene Beschouwingen daaromtrent reeds werd gezegd, volgt duidelijk dat, al mogen de door hare leden te verrichten werkzaamheden ten deele ook van administratieven aard zijn, de aan deze colleges toegedachte taak toch in hoofdzaak eene juridische is.

De personen, die voor het lidmaatschap der Tiendcommissiën in aanmerking kunnen komen, zullen voor het meerendeel dus wel eene rechtsgeleerde opleiding moeten genoten hebben. En onder dezen zullen natuurlijk in de eerste plaats de voorkeur verdienen dezulken, die door studie of practijk meer in het bijzonder met ons oud-vaderlandsch recht en zijn bronnen vertrouwd kunnen worden geacht.

Omtrent het laatste lid zoowel van dit als van het volgend artikel, valt op te merken dat men, op het voetspoor van hetgeen is bepaald bij art. 3 der wet van 21 Juni 1901, Stbl. n° 157, het ook hier voldoende heeft geacht, van de leden der Tiend- en der Schat-

Sluiten