Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tingscommissiën enkel eene belofte te verlangen, en aan die belofte de rechtsgevolgen van den ambtseed te verbinden. De inhoud dezer belofte is in hoofdzaak ontleend aan art. 11 der wet van 25 April 1879, Stbl. n°.89, tot herziening der belastbare opbrengst van het ongebouwde.

Art. 20. Aan den inhoud van dit artikel zal, eerst geruimen tijd na het in werking treden der wet, uitvoering behoeven gegeven te worden. Uit het bepaalde bij artt. 33, 46 en 50 toch volgt, dat de werkzaamheden der Schattingscommissiën in geen geval eerder zullen kunnen aanvangen dan nadat, sedert het in werking treden der wet, meer dan een jaar verloopen zal wezen. Hoevele schattingsdistricten noodig zullen zijn, en over welke gemeenten zich het gebied van elk dezer kringen behoort uittestrekken, zal bovendien — ook in verband met het laatste lid van art. 52 — eerst kunnen worden overzien nadat aangifte is gedaan van de tienden, wegens wegens wier opheffing aanspraak op schadeloosstelling wordt gemaakt.

Art. 21. Volgens de in dit artikel opgenomen omschrijving van de taak der Schattingscommissiën, is het onderzoek, dat de leden dezer commissiën ter uitvoering van do wet zullen hebben te volbrengen, niet van rechtskundigen, maar van feitelijken en in hoofdzaak landhuishoudkundigen aard. Voor eene richtige vervulling der door hen te verrichten werkzaamheden, zal het, behalve op nauwgezetheid van karakter, bij de leden der Schattingscommissiën dus vooral aankomen op grondige bekendheid met de bijzondere omstandigheden, waaronder het landbouwbedrijf verkeert in dat gedeelte van ons land, alwaar hun district gelegen is.

Art. 23. Het voorschrift van dit artikel werd ontleend aan het bepaalde bij art. 14 deiwet van 25 April 1879, Stbl. No. 89, tot herziening der belastbare opbrengst van het ongebouwde, en bij art. 19 der wet van 2 Mei 1897, Stbl. No. 124, tot herziening der belastbare opbrengst van het gebouwde.

Art. 24 tweede lid. Door, in het hierbedoelde geval, het gemiddelde van de som der drie verschillende bedragen als het door de meerderheid aangenomen cijfer te doen gelden, zou als in overeenstemming met het gevoelen der meerderheid worden aangemerkt een bedrag, dat feitelijk daarvan altoos in sterker mate zal afwijken, dan wanneer men daarvoor aanneemt de uitkomst der berekening van hem, die noch het hoogst, noch het laagst heeft geschat. Gelijke bepaling is te vinden in art. 23 der wet van 25 April 1879, Stbl. No. 89, tot herziening der belastbare opbrengst van het

Sluiten