Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hen, die als in het een of ander opzicht onjuist, onvolledig of overdreven de opgaven mochten wenschen te bestrijden, welke door don voonnaligen tiendheffer, tot staving zijner aanspraak op schadeloosstelling, omtrent herkomst, aard, omvang en waarde van zijn recht, bij de aangifte daarvan z(jn verstrekt. Doch ook afgescheiden en onafhankelijk van den inhoud dier opgaven, zal er voor de belanghebbenden bij de perceelen, welke daarin als tot dusver tiendplichtig zijn vermeld, toch nog menige andere gegronde aanleiding kunnen bestaan, om zich intelaten met hetgeen tot uitvoering van de bepalingen dezer wet, door Tiend- en Schattingscommissie ter zake van die aangifte zal worden besloten, en alzoo zelfstandig optekomen voor hunne daarbij betrokken belangen.

Een gereede grond daartoe zal voor belanghebbenden o- a. kunnen zijn gelegen in do omstandigheid, dat hunne perceelen, sinds de laatste 80 aan het in werking treden der wet voorafgegane jaren, niet met eenige akkerof tuinvrucht zijn beteeld geweest, zoodat, volgens het bepaalde bij art. 12, daarop geene tiendvervangende grondrente ten behoeve van het. Rijk zal behooren gevestigd te worden. Dit laatste toch betreft een punt, waarover het den voormaligen tiendgerechtigde in den regel niet wel mogelijk zal wezen, bij het doen zijner aangifte eenige bepaalde inlichting te verstrekken, dat alzoo geen grond tot een eigenlijke bestrijding dier aangifte voor belanghebbenden bij zulke perceelen zal kunnen opleveren, doch waaromtrent het voor dezen niettemin van het grootste belang is, door het bijbrengen van alle hun ter beschikking staande gegevens, de Tiend- en Schattingscommissie behoorlijk intelichten.

Ook kan bier worden gewezen op het zeker niet minder vóór de hand liggende geval, dat aanspraak op schadeloosstelling is gemaakt wegens de opheffing van tienden, welke als t*én geheel van de daarmee belaste gronden plachten geheven te worden, en omtrent wier gemiddeldjaarlijksche opbrengst de voormalige tiendheffer bij het doen zijner aangifte, dus zal kunnen volstaan met eene nauwkeurige opgaaf van de geldelijke inkomsten, in elk der laatste 15 jaren, door hem aan tiend genoten uit de geregeld te zamen verpachte gronden, waarover zijn recht zich uitstrekte. Immers ook dan zal het zeer wel kunnen zijn, dat zij die belang hebben bij de perceelen, van wier wettelijke tiendbevrijding overeenkomstig art. 26 aangifte werd gedaan, geen enkele reden hebben om de juistheid te betwisten der door den voormaligen tiendheffer daarbij verstrekte opgaven tot rechtvaardiging van liet bedrag der schadeloosstelling, door hem uit dien hoofde gevorderd, en toch met grond zullen verlangen, nu ook

Sluiten