Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogen aan de wet gegeven uitvoering, vóór den burgerlijken rechter of vóór de Commissie van Beroep, met goed gevolg als onjuist zouden kunnen bestrijden. Want het zal dan in de eerste plaats aan hun eigen verzuim z\jn te wijten, dat de uitvoering, door deze slechts eenzijdig en gebrekkig voorgelichte colleges aan de bepalingen der wet gegeven, tot eene hen niet bevredigende uitkomst heeft geleid. En het aloude adagium contumax non appellat zal dus met volle recht ook op hen van toepassing zijn.

Daarmee is intusschen geenszins gezegd dat, -voorzooverre door belanghebbenden van de hun bij art. 33 toegekende bevoegdheid geen gebruik mocht zijn gemaakt, de leden der Tiend- en Schattingscommissiën aan den inhoud deiaangiften gebonden zouden z\jn. Neen, ook dan blijven zij, die met de uitvoering der wet zijn belast, voor de juistheid der daartoe door hen genomen besluiten de verantwoordelijkheid di agen.

Uit het stilzwijgen van belanghebbenden bij de perceelen, waarvan bij eenige aangifte is beweerd dat ze door het in werking treden deiwet van tiend z|jn ontlast, mag voor Tienden Schattingscommissie nooit eenige verplichting worden afgeleid om de juistheid dier bewering aantenemen, wanneer haar daarvoor geen voldoende gronden aanwezig zijn gebleken. En mocht zij van oordeel wezen dat, na eene persoonlijke ondervraging van bovenbedoelde belanghebbenden, omtrent de door haar in dat geval aan de wet te geven uitvoering eenige meerdere zekerheid ware te verkrijgen, dan zal de omstandigheid, dat van den kant dier belanghebbenden geen gebruik is gemaakt van de hun volgens artt. 33 en 34 toekomende bevoegdheid, voor haar geen afdoende reden behoeven te zijn om niet ambtshalve - ja desnoods met toepassing van het bepaalde bij art. 44 — ook van hen de inlichtingen te verlangen, welke zij behoeft, en die binnen hun bereik zijn.

Art. 35 tweede lid. Het hier bepaalde is oenigermate eene afwijking van het beginsel, in het eerste lid van dit artikel gesteld, volgens liet welk belanghebbenden bij de perceelen, ter zake van wier wettelijke tiendbevrijding aanspraak op schadeloosstelling is gemaakt, geacht worden zich bij voorbaat te hebben neergelegd bij de uitvoering, welke te dien aanzien dooide betrokken autoriteiten aan de bepalingen der wet mocht worden gegeven „voorzooverre" door hen geen gebruik is gemaakt van de bevoegdheid, hun in art. 33 toegekend.

In dat zooeven gecursiveerde „voorzooverre", waarmee het eerste lid van dit artikel aanvangt, ligt alzoo opgesloten dat hij, die zich in zijne overeenkomstig art. 34 ingeleverde memorie beperkte tot een of meer onderdeelen

Sluiten