Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het bepaalde onder letter a van art. 19, naar de juistheid dier opgaven en mededeelingen ook niet betrekking tot de beantwoording der twee hierboven bedoelde vragen een voorloopig onderzoek behoort in te stellen, ten einde — zoo noodig met gebruikmaking der bevoegdheden, haar toegekend bij artt. 38 en volgg. de tegenstrijdige beweringen der bij de uitvoering van deze wet wederzijds betrokken belanghebbenden, zooveel in haar vermogen is, tot klaarheid te brengen.

Het laat zich mitsdien wel verwachten dat, als de uitkomst van bovenbedoeld voorbereidend onderzoek, een goed deel van de gegevens, welke de onderscheidene Schattingscommissiön voor eene behoorlijke uitvoering der wet mochten behoeven, aan deze reeds bij de aanvaarding harer taak, overeenkomstig het laatste lid van dit artikel, door de Tiendcommissie verstrekt zal kunnen worden.

Autt. 52 tot en met 56. Deze bepalingen betreffen het onder letter « van arl. 5 bedoelde geval, dat perceelen, die gebleken zijn door het in werking treden dezer wet van tiend te zijn ontlast, behoorden tot eenig blok of zoodanig ander complex van gronden, als waarvan de tiendopbrengst jaarlijks als één geheel placht te worden verkocht.

Nu volgt uit de regels, welke bij evengenoemd wetsvoorschrift en de twee daarop volgende artikelen zijn gesteld, dat de Schattingscommissie, om do schadeloosstelling te bepalen, die wegens de tiendbevrijding van deze perceelen door het Rijk is verschuldigd, zich uitsluitend naar de opbrengst van het v er leden e heeft te richten en, met inachtneming van het bepaalde bij de artt. 6 en 7, daartoe aanvankelijk slechts zal hebben vast testellen, wat in de laatste 15 jaren de verpachting van den tiend uit het blok den voormaligen tiendheffer, gemiddeld jaarlijks, zuiver aan geld heeft opgebracht.

Eerst wanneer dit laatste vaststaat, zal kunnen worden overgegaan tot het bepalen der noegrootheid van de schadeloosstelling en de grondrente, respectievelijk door en a<m het Iiijk verschuldigd wegens de tiendbevrijding van elk perceel afzonderlijk, dat tot de uitkomst der tiend verpachting van het blok in een of meer der laatste 15 jaren heeft bijgedragen. Want als grondslag harer berekening zal de Schattingscommissie daartoe hebben uittegaan van de gemiddeld-jaar]ijksche, zuivere tiendopbrengst van het geheele complex. En die gezamenlijke opbrengst zal door haar dan moeten verdeeld worden over de verschillende perceelen, welke er toe bijgedragen hebben, naar gelang zoowel van elks grootte en hoedanigheid, als van den tijd en de wijze zijner bebouwing.

Sluiten