Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

placht te worden verpacht. En in verband met den aanhef van het volgend artikel vloeit daaruit van zelf voort, dat ook het recht om van die hesluiten in hooger beroep te komen aan de onder 1°. 2° en 5° in het eerste lid van art. 58 genoemde personen zal zijn ontzegd.

Art. 59 laatste lid. Voorzooverre de in art. 57 bedoelde besluiten betrekking hebben op perceelen, waarop in een of meer der laatste 15 jaren tiendvruchten zijn geteeld, welke te zamen met die van andere perceelen, tot éénzelfde blok of cirkel behoorende, als één geheel plachten te worden verkocht, zal de inhoud dier besluiten voor elk dier perceelen a fzonderlijk hebben aan te wijzen, tot welke uitkomst deverdeelingdergemiddeld-jaarlijksche zuivere tiendopbi engst van alle die perceelen te zamen de betrokken Schattingscommissie bij de uitvoering van het bepaalde onder letter a van art. 5 heeft geleid.

Tusschen den onderscheiden inhoud van elk dier besluiten bestaat derhalve een zóó innige samenhang, dat in geen van hen eenige verandering zal kunnen worden gebracht, zonder ook den inhoud te wijzigen van één of meer andere, op hetzelfde pachtcomplex betrekking hebbende besluiten. Waaruit noodzakelijk volgt dat hij, die als belanghebbende bij slechts enkele perceelen, tot eenig tiendbloic behoorende, zich verongelijkt acht door de besluiten der betrokken Tiendcommissie welke op die perceelen betrekking hebben, bij het doen gelden zijner bezwaren zich nimmer alleen tot laatstbedoelde besluiten zal kunnen bepalen, doch steeds ook tegen een of meer der overige daarmee samenhangende besluiten zal hebben op te komen, daarbij tevens aangevende, welke verbeteringen naar zijn oordeel mede in die besluiten behooren gebracht te worden, om de besluiten, door wier inhoud hij zich in de eerste plaats bezwaard acht, overeenkomstig zijnen wensch te kunnen veranderen.

Art. 6-3 tot en met 66. Eerst nadat, op de wijze bij art. 63 voorgeschreven, in bijzonderheden de uitkomst zal zijn geboekstaafd, tot welke de uitvoering der wet met betrekking tot eenig door haar opgeheven tiendrecht heeft gevoerd, zal het rechtsfeit zijn voltrokken, dat het Rijk eenerzijds jegens den voormaligen tiendheffer tot schadeloosstelling verbonden, anderzyds tot het heffen der volgens art. 12 verschuldigde grondrente uit de van bovenbedoeld tiendrecht bevrijde perceelen gerechtigd zal doen zijn.

Bij het 'tweede lid van art. 784 Burg.Wetb. is intusschen voor do geldige vestiging eener grondrente als vereischte gesteld, dat de „de titel van „aankomst in de daartoe bestemde registers zal

Sluiten