Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gasthuis, voor ontleedkundige lessen ten gebruike afgestaan op voorwaarde, dat het gilde het pakhuis zou onderhouden zonder kosten voor het gasthuis. In genoemd jaar kreeg het gilde deze gelegenheid in de plaats van eene andere op eene der bovenkamers in het gasthuis, waarheen het vervoer van lijken zijne eigenaardige bezwaren had. De resolutie van 1655 werd in 1669 door een onderhandsch contract nader bevestigd, waarbij het gilde boven het gewone onderhoud met een cijns van 2 schellingen 's jaars bezwaard werd. Het gilde beschikte over weinig geldmiddelen, het onderhoud bleef achterwege en in het laatst van de 18ie eeuw verkeerde het pakhuis in zulk een toestand van verval,

dat de professor er zijne lessen niet meer in dorst te geven. De stad kwam toen ter hulp: thesauriers werden bij resolutie van 1791 Maart 19 geautoriseerd aan het gilde 12 pond 's jaars tot herstelling van het gebouw te betalen (zie pakket C nr. 143 (nrs. 6 tot 8 van dezen Inv.)).

Een nieuw contract was hiervan het gevolg. Gasthuismeesters lieten het gebouw in orde brengen en namen de verplichting op zich het voortaau ook te onderhouden, mits dat het gilde de 12 pond 'sjaars aan het gasthuis uitkeerde. De vroegere cijns van 2 schellingen bleef bovendien bestaan (zie nr. 144 van pakket C).

Het gilde had in het gasthuis nog een ander gebouw: de zoogenaamde gildekamer, gelegen achter de anatomiekamer. Bij contract van 1668 October 26 (zie pakket C nr. 77 (nrs. 6 tot 8 van dezen Inv.)) verkreeg het daarvoor een stuk grond tegen een jaarlijkschen cijns van 25 schellingen , waarop het gilde zeli' de bedoelde kamer bouwen liet. Zie verder nog in pakket C. nrs. 27, 124, 126 en 154.

Na deze beschouwing van het gasthuis uit een stoffelijk oogpunt, Broedermeen ik thans tot de bespreking van de werking van het gesticht te st'hal,,)en" kunnen overgaan, waarvoor de in het gasthuis gevestigde broederschappen het eerst in aanmerking komen. Geen enkele hunner fundatiebrieven is bewaard gebleven, hetgeen de toelichting niet gemakkelijker maakt. In stukken van 1387, 1419 en 1433 wordt het Onze Vrouwe gilde genoemd, zie ook iu de rekeningen van 1465/6, 1469, 1499/1500, 1505/6,

1512/3 en 1519,20. In die van 1488/9, 1493/4, 1513/4, 1516/7 en 1517/9 Onze Lieve Vrouwe gilde. In Reg. nr. 126 wordt melding gemaakt van het St. Barbara gilde, gelijk mede in de rekeningen van 1469 en 1494/5. In de rekening van 1493/4 vindt men Onze Lieve Vrouwe van der qualen St. Job en St. Juliaen, en in die van 1498/9, 1499/1500, 1505/6, 1517/9, 1519/20, 1520/1 en 1526/7 Onze Lieve Vrouwe van der qualen. Twee stukken (Reg. nrs. 853 en 380) maken melding van de

Sluiten