Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

broederschap Campo Sancto, waarvan de hoofdzetel te Rome was gevestigd '). Er worden dus 6 ïiamen genoemd, maar zooveel gilden waren er in het gasthuis te Middelburg niet. Het blijkt beslist, dat O. V. en O. L. V. één en hetzelfde gilde is; eveneens O. L. V. van der qualen St. Job en St. Juliaen en O. L. V. van der qualen. Er blijven dus 4 broederschappen te bespreken. Met het oudste dezer heb ik de meeste moeielijkheid gehad, omdat van het verband met het gasthuis zoo weinig blijkt. Meestal is het een legaat, dat er aan vermaakt wordt, of betreft het de betaling eener cijns, die het gilde op het gasthuis had, wanneer het vermeld wordt, en ware het niet, dat in Reg. nr. 122 uitdrukkelijk gesproken wordt van O. V7. gilde in het gasthuis en in 1469 de zangers van dit gilde voor in het gasthuis bewezen diensten betaald werden, de vraag zou rijzen of wij hier inderdaad met een gasthuisgilde te doen hebben. Van eenig bestuur door dit gilde over het gasthuis blijkt niets; tot c. 1425 stond het gesticht onder het opperbestuur van de stad. Van welken aard waren dan de relaties tusschen dit gilde en het gasthuis ? Mr. Fruin kwam mij hierin te hulp. Hem was het bekend, dat er oudtijds ook wel in gasthuizen, evenals in gewone kerken, corporaties gevestigd waren, die het gesticht wel indirect steunden, maar geen aandeel in het bestuur er van hadden, en hij wees daarbij o. a. op de broederschap, die zich in 1472 vormde in het St. Martijn gasthuis te Weerd buiten Utrecht 3). Niet gewaagd schijnt de meening, dat de leden van dit gilde een teeken hebben gedragen, en dat dit de huik, kap of mantel der orde van St. Maria van den berg Carmel is geweest (zie Reg. nr. 292). Er waren ook vrouwen lid van (zie de rekening van 1488/9).

Het volgende gilde, dat van St. Barbara, blijkt in het licht van een schenkingsbrief van 1433 (Reg. nr. 121) voor het gasthuis van meer beteekenis te zijn geweest. Diezelfde giftbrief toont duidelijk aau, dat het in c. 1425 in de plaats van het Stadsopperbestuur over het gasthuis is getreden, wat door de oudste origineele rekening (1488,9), door een der gasthuismeesters opgemaakt en door de 3 andere afgehoord, nader bevestigd wordt. De grootste bloei van dit gilde leeren wij wellicht uit de stukken niet kennen. Als de rekeningen met 1465/6 aanvangen, ontwaart men van zijne werking zeer weinig. Geene geldelijke bijdragen er van voor het gesticht komen voor, de kerkelijke diensten zijn gering. Het is of het gilde en geheel het gasthuis in een toestand van verval

i) Zie over deze broederschap: A. de Waai. Der Campo Santo del' Deutschen ?u Rom.

*) Zie den broederschapsbrief in: Mr. S. Mille» Fz. Geschiedenis der fundatiën, beheerd door

het college van regenten der vereenigde gods- en gasthuizen te Utrecht blz. 40 vlg.)-

Sluiten