Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meermalen van den regel afgeweken en zijn vóór 1749 (toen het Armziekenhuis gesticht is) door eenig armbestuur aangeslagen personen kosteloos verpleegd geworden (zie de aangehaalde Raadsresolutie van 1532 en die van 1650 Juni 4, benevens de notulen van 1683 September 22).

De zieken kwamen in op een bewijs, dat voor de militairen bestond in een biljet, afgegeven door hun commandant, en voor burgerpersonen in een lootje, afgegeven door een der regenten, nadat door hem iedere aanvraag was onderzocht en de daarbij bedoelde zieke door een chirurgijn van het gasthuis was gevisiteerd. Van die lootjes voor zieken is reeds in de rekening van 1498/9 sprake. In het laatst der 18',e eeuw werd het bedoelde onderzoek overgelaten aan den binnenvader onder toezicht van een der regenten. Niet alle zieken werden in het gasthuis verpleegd: de lijders aan besmettelijke ziekten hield men er sinds 1573 zooveel mogelijk buiten, waardoor het afgezonderde pesthuis en in enkele gevallen ook het pottershuis naar omstandigheden gebruikt werd. Zinneloozen werden meestal aan de Cellebroers toevertrouwd, later (1611) in het voor deze bestemde gesticht verpleegd (zie het archief van het Simpelhuis hierna). Somtijds werden zieken in hunne woningen verpleegd of kwamen in behandeling bij zoogenaamde specialiteiten; nog zijn er gevallen van opzending naar Leiden. Voor een en ander was meestal overleg noodig met andere collegiën, die in de kosten hadden bij te dragen. De geneeskundige dienst in het huis werd oudtijds door een chirurgijn verricht; reeds in de oudste rekening (1465/6) blijkt van dien dienst. Het verdient opmerking, dat in 1558/9 en 1563 tot 1566 deze functionaris eene vrouw is, die het vak van haar man schijnt geleerd te hebben. In het volgende jaar wordt meester Jan oudeJans zoon betaald voor zijn dienst //zoewel in medicinen als cherygie", en ongeveer te zelfder tijd treedt een speciale pestmeester op. Het aantal geneeskundigen breidt zich nu spoedig verder uit. Van eene vroedvrouw vindt men in de rekening van 1498/9 en 1562/3 melding gemaakt. Geneesmiddelen komen aanvankelijk sporadisch voor, sedert 1558/9 bepaald geregeld. De verdere zorg voor de zieken, mogen wij aannemen, was aan de aan het gesticht verbonden ziekenmoeder overgelaten; als deze in 1526 zelf ziek ter nederligt, wordt zij op hare beurt door eene zwarte cellezuster (non in het klooster Bachten 's gravenhove) opgepast. Maar nevens de ziekenmoeder leeren de stukken van af 1560 ook de Cellebroers kennen, die in overeenstemming met hunne roeping verschillende diensten aan het gasthuis bewijzen. Zij belasten zich met de bewaring van simpelen (1560—1610), doen dienst in de pestkamer (1568 vlg. jaren), verplegen zulke lijders ook in hun klooster (1572), dragen ernstige zieken naar het gasthuis en

Sluiten