Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pesthuis (1581 vlg. jaren) en begraven de lijken 1). De Hervorming overlevende, wordt hun kerk en klooster gespaard en blijven zij, blijkbaar ten genoegen van het stadsbestuur, zich wijden aan het verdienstelijk werk, waartoe zij zich vrijwillig verbonden hadden. Hun oude pater of overste Jan Willems, die aan het gasthuis geld geleend had, komt nog tot 1591 in de rekeningen voor. Maar al stierven achtereenvolgens ook alle andere broeders van vóór de Hervorming, de vereeniging van Cellebroers of lijkdragers bleef bestaan. In 1611, toen hun klooster voor Simpelhuis werd ingericht, kregen zij ieder — wellicht voor het gemis daarvan — eene vrije woning, in het Bagijnhof, die onder de eigendommen van het gasthuis voorkomen. Het schijnt, dat de betrekking, hoewel door gasthuismeesters vergeven wordende, erfelijk was in een geslacht, waarin zelfs vrouwen opvolgden, die dan echter het werk door een manspersoon lieten verrichten (zie de notulen o. a. van 1775 Juni 21). Gasthuismeesters besloten 1808 April 5 echter geene andere personen tot cellebroer aan te stellen, dan die, welke de daaraan verbonden diensten persoonlijk konden verrichten. Het is misschien waard om te vermelden, dat deze personen nog heden ten dage aan het gasthuis verbonden zijn.

De dooden werden begraven op het erf van het gasthuis en van het pesthuis, nadat zij bevorens in een mat genaaid waren. Doodkisten komen in het laatst der 16'le eeuw meer algemeen in gebruik, maar uit het archief blijkt niet tot wanneer die erven als begraafplaatsen gebruikt zijn.

Natuurlijk waren aan de inrichting nog andere geëmplooieerden verbonden, o. a. een vader en moeder, wien aanvankelijk de geheele zaak der voeding van de zieken was toevertrouwd. Gasthuismeesters stelden alleen om de 5—8 dagen eene vaste som gelds beschikbaar om de noodige inkoopen te doen. In 1493 bedroeg die som grooten daags voor eiken zieke. In 1494 echter hebben bestuurders naar aanleiding van ingekomen klachten de levensmiddelen zelf ingekocht en gespecificeerd in de rekening vermeld. De omslachtigheid van dit werk gaf zeker aanleiding, dat in 1498/9 alleen maar de maandelijksche sommen, die door een der gasthuismeesters voor de voeding waren besteed, geboekt werden. In 1512 en volgende jaren is deze zorg aan de ziekenmoeder toevertrouwd, maar wanneer in 1558 de rekeningen ons weder omtrent dit punt inlichten , dan vernemen wij, dat de vrouwen der gasthuismeesters om

») In de rekeningen van 1607 tot 1615 wordt de knaap van het gasthuis voor het begraven van dooden betaald; het schijnt echter, dat hem dit werk wegens onbehoorlijke verriehting is afgenomen.

Sluiten