Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keningen, die in de armenrekening werden geboekt. Eene commissie van 4 leden, diakenen-bouwmeesters, was belast met het toezicht over de gebouwen, het redden van boedels en het geldelijk beheer. Eene andere commissie, die van diakenen-vaders, eveneens 4 in getal, had net bestuur over de beide weeshuizen, waarbij zij door hunne vrouwen geholpen werden. Het toezicht over de houwkinderen werd door 1 diaken uitgeoefend, zijn assistent was de zoogenaamde volgman der diakenen. Een diaken had de functie van scriba. Dit zijn te zamen 24 leden, die het college sedert 1667 telde. Uit de 13 beursmannen en den vader der houwkinderen werden ook de 4 opzieners van het Armziekenhuis getrokken.

Dit reeds vrij samengesteld bestuur wordt bij de thans te bespreken wijzigingen zeer ingewikkeld. Wanneer de commissie van diakenenbouwmeesters is ingesteld, blijkt uit de stukken niet, het staat echter vast, dat zij aanvankelijk niet met het geldelijk beheer van de armen was belast. Oudtijds was dit aan een bezoldigd ontvanger, geen diaken, opgedragen, eerst in 1702 is die functie op bouwmeesters overgegaan. In de stadsnotulen van 1702 Februari 4 wordt gezegd, dat de ontvang en administratie voortaan zal worden waargenomen door de 4 diakenenbouwmeesters, doende daarvan alle jaren binnen 8 dagen, nadat nieuwe bouwmeesters zijn aangesteld, rekening aan Gecommitteerden uit het college van Wet en Raad benevens een der secretarissen van de stad, met aanwijzing van de effecten, den Armen toebehoorende. Zij waren dus aan het stadsbestuur rekenplichtig, maar hieraan niet alleen: de andere diakenen, voor zooverre niet verhinderd om tegenwoordig te zijn, waren mede auditeurs der rekeningen. Uit een en ander mag worden afgeleid, dat de bezoldigde ontvanger niet alleen den ontvang der armengoederen had, maar, evenals later bouwmeesters, het geheele geldelijk beheer voerde en dat liij ook de rekening aflegde, waarbij diakenen ter controleering tegenwoordig waren. Geene enkele rekening van vóór 1702, noch in dit noch in het gemeentelijk archief, is meer voorhanden om dit volkomen te bevestigen.

Het huishoudelijk bestuur van diakenen-vaders over de weeshuizen is tot 1771 onveranderd blijven voortduren. Toen werd bij resolutie van Wet en Raad van April 13 een vast bestuur over elk dier huizen aangesteld, bestaande uit 1 president, 4 regenten, 1 presidente en 4 regentessen. De geldelijke administratie bleef echter bij diakenen-bouwmeesters en het toezicht over de houwkinderen aan een diaken toevertrouwd. De president en presidente werden benoemd uit leden van den Raad en uit de huisvrouwen van weduwen van raadsleden, de regenten uit bekwame

Sluiten