is toegevoegd aan uw favorieten.

Mgr. Dr. H. J. A. M. Schaepman herdacht in de hoofdstad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In die dagen golden Bilderdijk en Da ('osta als de eenige, onvolprezen meesters. Was het wonder dat geestdrift werd gewekt bij de katholieken, op de seminariën vooral, bij het plotseling opklinken van die geweldige stem, de stem van een Roomschen Bilderdijk, een Roomschen Da Costa? Was het wonder dat die geestdrift steeg bij elk nieuw gedicht van .len nieuwen meester en waarin die stem al krachtiger geluidde: „de Pers, Vondel, de Eeuw en haar Koning?" Maar ook bij onroomsch was verbazing en geestdrift — en zeker niet ten onrechte — reeds bij het verschijnen van „de Paus", zóó. dat Jacob van Lennep uitriep: „Vondel is onder ons herrezen!" De vraag rijst: wat is er van die uitspraak: „Vondel is onder ons herrezen!" Zie hier mijn bescheiden meening: „een echt dichter was Schaepman, geen Vondel!"

Als Vondel is hij Visionair, bemint hij de gewijde stoffe; met Vondel heeft hij den gedragen gang, de weidsche ideeënvlucht, de liefde tot den statigen alexandrijn ... maar Vondels vizioenen zijn van goudener heiligheid, van blanker tcederheid. Hij mist Vondels gratievol gebaar, de onuitspreekbare charme van diens smeltende Lyriek. Bij Vondel wordt het geziene zóó prachtig gedragen door een zielsgevoel, dat zich uitzingt in zóó wonderbaar melodischen klank, dat ziel en zinnen daaraan feesten en zich niet verzadigen kunnen aan die hemelsche lekkernij! De klank van Vondels verzen is blank als verschgevallen sneeuw, geurend en glinsterend als teêrbedauwde morgenrozen. Die klank zingt van ziel tot ziel en blijft voortzingen, onvergankelijk ! . . .

Schaepman's stem klinkt meer boven ons als een majestueuse galm, wij zien en bewonderen de beeldenreeksen, welke de dichter onzen oogen voorbij doet trekken, wij laten ons gaan op de breede rhytmenbeweging dier verzen, maar wij worden niet gedrenkt als in een stroom van melodie, zijn geestdrift en teederheid treffen, maar zingen zich niet onze ziel in, vervloeiend met ons zielewezen ! Aan de zuivere dichterschoonheid wordt vaak afbreuk gedaan door de neiging tot rhetoriek •— laten wij nog even dat afgezaagde woord gebruiken — rhetoriek, wel overweldigend, doch niet in-ontroerend door klank en schoonheid.

Schaepman heeft daarvan zelf iets gevoeld in lateren tijd, toen hij in het „Voorwoord" zijner „Verzamelde Dichtwerken" zich aldus