is toegevoegd aan uw favorieten.

Mgr. Dr. H. J. A. M. Schaepman herdacht in de hoofdstad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en den groei eencr nieuwe gemeenschapskunst en hoe hij zich die dacht, dan zijn er meer gegevens voor een antwoord. De waarschijnlijkheid eener gemeenschapskunst buiten het Christendom — zooals ik mij wel eens heb voorgesteld, dat b.v. het socialisme die zou kunnen brengen — is, meen ik, door dr. Schaepman nooit overwogen. Voor hem was gemeenschapskunst niet anders dan de Christelijke kunst.

En deze laatste — en nu gaan wij komen tot den kern der zaak — was hij niet ongeneigd te vereenzelvigen met een van haar historische verschijningsvormen, met de periode der Gothiek. Duidelijk zeide hij het in 1894: 1)

„Men vraagt mij naar het recht, dat op den naam van de christelijke kunst de Gothiek kan doen gelden. Ik antwoord, natuurlijk met een beeld. De Kerk spreekt alle talen. In alle talen kan men het geloof belijden en het Onze Vader bidden. Zelfs in haar liturgie bezigt zij meer dan ééne taal. Maar zij heeft toch hare taal, de taal der Kerk. Het is geen gelijkstelling, het is een vergelijking. Zoo zij niet alles bewijst, zij verklaart genoeg." Toch geloof ik dr. Schaepmans bedoeling niet te misduiden, indien ik haar meer rekbaarheid toeken, dan in deze woorden aan den dag kwam.

Toen hij in 1873 zijne inleiding schreef op Het Gildebock, gaf hij aldus zijn inzicht te kennen 2): „Al het eindige heeft zijn bepaalde, begrensde vormen, waar het dezen kring uittreedt kan het rijker en breeder schijnen, maar de schijn vervliegt en het wezen soms daarbij. Kunst, zelfs christelijke kunst, is eindig en als zoodanig reeds uit zelfbehoud gebonden aan de vaste wet, aan den stijl. Maar het uitbreiden der vaste wet op steeds rijker en veelzijdiger gebied, maar het volmaken en het vervolmaken der bijzondere kracht naar een algemeenen regel, maar het steeds dieper en dieper doordringen in den geest, het steeds bewuster en krachtiger voortwerken — ziedaar de ware vooruitgang der kunst."

Schitterend beschreef hij in dienzelfden tijd Ideaal cn Traditie in de Kunst, maar zou de kunstenaar in zijn zoeken naar het ideaal wel ooit gehinderd kunnen worden door eene traditie, die — naar zijne teekening — „zeker een keten legt, maar

1) Jaarverslag van het St. Bernulphusgilde — '894, blz. 16.

2) Het Gildeboek — I, blz. 8.