Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar pantheïsme." En teekenend, juist door onbillijke overdrijving, is zijn sarcastische scherts in datzelfde Chronicon: „Modernen lachen niet." Teekenend is ook wat Kalf voor eenige dagen mededeelde in de Violier. „Ik sprak met Schaepman, zoo vertelde hij, over Guido Gezelle. Ja, zei de dokter, hoe mooi die verzen zijn, dat wist ik al voor dertig jaar; maar wat zeuren jullie nu toch over het zieleleed van dien man ? Ik ken hem: 't is een gewoon mensch, precies als jij en ik." Blijkbaar kon hij de gedachte niet verdragen, dat Gezelles frisch-geniale geest zou lijden aan de moderne letterkundige influenza. De blijgeestige levensopvatting, die ons tegenwaait uit elko bladzijde van Schaepmans proza en poëzie kan, dunkt me, niet beter worden weergegeven dan door een woord uit den roman van Pravieux, dat hij zelf kort voor zijn dood met zichtbaar welgevallen heeft aangehaald: „Au risque de vous chagriner je vous révele que je suis un homme heureux." En de diepe oorzaak van die levensvreugde mag ik zeker toch wel zoeken in het vervolg van diezelfde aanhaling: „J'ai vécu danslajoie

de ma vocation, qui me fut douce et que j'aime Pourquoi

donc serions-nous rongés par la mélancolie?"

Wat de Weltschmerz is in de letterkunde, dat is het pessimisme in de actie van het woelige leven. Konden we van die eerste letterkundige ziekte getuigen, dat haar crisis voorbij was, toen Schaepman optrad, de sociale zwartgalligheid vierde toen en viert nog heden hare schitterendste triomfen. Onze schijnbaar zoo zelfbewuste en zelfvoldane tijd zou de oudtestamentische spreuk op zijn hoofdband kunnen dragen: „Omne caput languidum et omne cor moerens, alle hoofden hangen moedeloos op de borst en alle harten steken in tranen." En terwijl Horatius het laudator temporis acti als begrijpelijken karaktertrek van den grijsaard geeft, wedijveren in onze dagen „des vieillards de vingt ans" met den stokouden Tolstoï in het klagen over onhoudbare sociale toestanden en politieke reddeloosheid, over wankelend christendom en toenemend ongeloof, over verstompend rechtsgevoel en hopeloos zedenbederf. Onder al dat klagen komt dan bij menigeen de overtuiging op: „er is toch niets meer aan te doen," en de handen zinken in den schoot. Wat verslapt zoozeer de veerkracht als wanhoop aan den uitslag? Hoe verrassend, hoe paradoxaal, hoe uitdagend en bijna overmoedig klinkt daartegenin die sociale geloofsbelijdenis van dr.

Sluiten