Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was, door de bloemen en vruchten wisten /ij in welk jaargetij zij leefden en dit gai' zelfs aan hunne gesprekken een wonderbare bekoring. „Het is etenstijd," zei Virginie, „de schaduw der pisangboomen reikt tot aan hun voet." „Wanneer komt gij ons opzoeken ?" vroegen hare vriendinnen. „Wanneer het suikerriet rijp is," antwoordde Virginie dan. „Uw bezoek zal ons nog liever en aangenamer zijn," hernamen de meisjes. Vroeg men haar hoe oud Paul en zij waren, zoo antwoordde zij: „Mijn broeder is zoo oud als de grootste der cocosboomen die bij den vijver staan en ik zoo oud als de kleinste; sedert ik geboren ben hebben de mangaboomen twaalfmaal vruchten gedragen en de oranjeboomen vierentwintigmaal gebloeid." Buiten de gebeurtenissen in het leven hunner moeders en de tijdberekening, zich grondend op het bloeien en vruchtdragen hunner hoornen, kenden zij geene andere indeeling van den tijd. Hun eenigste streven was hunne naasten goed te doen en zich aan Gods wil met blijdschap te onderwerpen.

Wat hadden deze jonge menschen ook noodig rijk en geleerd te zijn? Was het niet juist in hunne onwetendheid dat hun geluk lag? Geen dag ging er voorbij zonder dat zij elkander wederzijds hielpen of onderrichtten. Ja waarlijk, zij onderrichtten elkander; wellicht waren er veel vergissingen in hetgeen zij als waarheid beschouwden, maar de mensch die door en door rein is, behoeft geene dwalingen ot vergissingen te vreezen; voor hem kunnen zij niet gevaarlijk zijn. Zoo groeiden deze twee natuurkindeien op. Hun voorhoofd was door geene zorgen gerimpeld, hun bloed en hun hart door geen hartstocht bedorven; liefde, onschuld, godsvrucht, alles leidde er toe om de schoonheid hunner ziel en de lieftalligheid hunner jeugdige lichamen te ont¬

wikkelen. Zoo moeten onze eerste voorouders in het Paradijs geweest zijn toen God ze schiep. Virginie was zacht, nederig en vertrouwend gelijk Eva; Paul eenvoudig als een kind, terwijl hij den lichaamsbouw had van een volwassen man evenals AdanrJ Keerde hij van zijnen arbeid terug, zoo sprak hij tot Virginie: „Als ik moede ben dan verkwikt mij uw bijzijn. Gij zijt voor mij als eene schoone roos, wanneer ik u uit de verte door onzen boomgaaru zie dwalen en al verlies ik u uit het oog, toch heb ik niet noodig u te zien om u terug te vinden. Gij laat iets onbeschrijfelijks achter, overal waar gij gaat ot staat. Gij verrukt mijne zinnen. Uwe oogen zijn schooner dan het azuur des hemels, uwe stem is mij zachter dan het gekweel der vogels. Ik sidder van geluk wanneer ik uw kleed slechts aanraak. Weet gij nog dien dag, toen wij de rivier der Drie Borsten doorwaad hebben? Ik was uitgeput; nauwelijks echter droeg ik u op mijn rug, of het scheen mij of ik vleugels had. Hoe hebt ge mij toch bekoord? Is het door uwe gesprekken vol geest en liefde? Onze moeders echter bezitten daarvan meer dan wij beiden samen. Is het door uwe liefkozingen? Maar zij omhelzen mij meer dan gij het doet. Ik geloof dat het de teederheid van uw gemoed is. Nooit zal ik vergeten, dat gij blootvoets tot aan de Rivière-Noire gegaan zijt om genade te vragen voor eene arme slavin. Neem dezen bloeienden tak, liefste, ik heb hem in het bosch voor u geplukt en zet hem 's nachts naast uw bed. Eet deze honingraat; ik heb haar voor u gezocht op de hooge bergen in diepe spelonken. Rust echter eerst aan mijn hart. Gij weet niet welk een verkwikking dat voor mij is." Virginie antwoordde: „De eerste zonnestralen aan den kim der bergen verheugen mij minder dan uw bijzijn. Hoewel ik onze moeders teeder

Sluiten