Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

longen om de lucht in te ademen, oogen om het licht op te vangen enz.; wij kunnen het gebruik dezer organen niet verwisselen ot omkeeren en toch heeft Hij, de Schepper van ons leven, het hart dat het voornaamste is van alle organen voor zich/elven gehouden. Ik leef dus gescheiden van alle menschen, ik heb hun van dienst willen zijn en zij hebben mij vervolgd. Door de eenzaamheid en schoonheid van dit eiland bekoord, heb ik mij hier gevestigd nadat ik bijna geheel Europa en een groot gedeelte van Amerika en Afrika doorkruist had en mijn hutje dat ik zelf gebouwd heb, een stukje land door mij zelf bebouwd, de rivier die naast mijne woning stroomt, dit alles voldoet mij volkomen. Ik bezit voorts eenige boeken die ook tot mijn geluk bijdragen, daar zij voor mij de getrouwe wetgevers zijn van de hartstochten die de menschen zoo ongelukkig maken. Ik vergelijk dan hun lot met het mijne en geniet zoodoende eene negatieve vreugde. Ik ben als een man die aan den storm ontkomen is en die de woedende zee gadeslaat vanaf een veilige rots; zoo ook beschouw ik van uit mijne eenzaamheid de stormen der wereld. Sedert de menschen mij niet meer in den weg staan en ik hun niet meer, haat ik ze niet langer, ik beklaag ze slechts. Gelijk men de hand uitstrekt om den ongelukkige die verdrinkt te redden, zoo tracht ik wanneer de gelegenheid zich voordoet, met mijne raadgevingen den een of andere die het noodig heeft te helpen. Slechts het onschuldige hart echter heeft acht geslagen op mijn woorden. De mensch jaagt zijn leven lang eene hersenschim na, die hem op het dwaalspoor brengt. Bemerkt hij dan ten slotte dat hij verdwaald is, dan beschuldigt hij de Voorzienigheid, vergetende dat het slechts zijn eigen wil was. Onder al de ongelukkigen die ik getracht heb

hunne dwaasheid te doen inzien, heb ik er nooit een gevonden die niet zijn eigen leed bewonderde en liefhad. Eerst luisterden zij steeds aandachtig naar mij, in de hoop dat ik hen zou helpen rijkdom of eer te verwerven; merkten zij echter dat ik hen slechts leeren wildeer afstand van te doen, dan laakten zij mijn eenzaam leven, beweerden dat zij alleen waarlijk nuttig waren voor de menschheid en trachtten mij over te halen hen in den maalstroom hunner vermaken te volgen. In de kalmte waar ik mij thans in bevind, overdenk ik de onrust van mijn eigen leven, waar ik vroeger zooveel acht op heb geslagen. Ik vergelijk dan die menschen die ik met zooveel hartstocht aan dat alles heb zien hangen en die nu gestorven zijn, met de golven mijner rivier, die schuimend opspatten tegen de rotsblokken die haar den weg versperren om daarna te verdwijnen en nimmer weer te keeren. Ik laat mij echter vreedzaam op de golven der rivier des tijds naar den oceaan der toekomst drijven; de schoonheden der natuur verheffen mijne ziel tot den Schepper en ik verwacht het volkomen geluk eerst in het toekomstig leven.

Van uit mijne kluizenaarswoning, die midden in het woud staat, overziet men niet zoovele voorwerpen als van hieruit, doch voor een mensch die zooals ik in zichzelven gekeerd is, biedt zij veel belangwekkends aan. De rivier stroomt recht door het woud zoodat zij als het ware een kanaal vormt dat door talrijke boomen overschaduwd wordt; men vindt er olijf- en kaneelboomen, hier en daar groepen palmboomen, die hunne meer dan honderd voet hooge stammen boven de andere boomen uit verheffen, zoodat men zou zeggen dat zij een bosch vormen, bovenop het andere geplant. Planten van verschillende soort slingeren zich van den eenen boom naar den anderen en

Sluiten