is toegevoegd aan uw favorieten.

Paul en Virginie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu eene onbekende en onbegrijpelijke zaligheid bereid heeft. Toen wij nog in het niet waren, konden wij ons immers ook geen voorstelling maken van wat eenmaal ons leven zou zijn; en nu wij in dit raadselachtig leven staan, is het ons evenzeer onmogelijk te vatten, wat aan gent zijde van het graf ons lot zal wezen. Iedere druppel water van den grooten oceaan bevat zelf weder ontelbare kleine levens, milliarden van sterren schitteren boven ons hoofd; zouden wij die zelf ons niets kunnen schenken en niets kunnen ontnemen, grenzen durven stellen aan de Almacht, aan Welke wij alles hebben te danken en ons kunnen voorstellen dat wij hier op aarde staan waar de dood met het leven worstelt. Er bestaat zeer zeker, waar dan ook, een oord waar de deugd beloond wordt en Virginie ontvangt nu haar loon. Zoo het haar mogelijk ware nu van uit het rijk der engelen met u te spreken, zeker zou zij u herhalen hetgeen zij u bij haar afscheid zeide: „O Paul, het leven is een proeftijd, ik ben trouw gebleven aan de wetten der natuur, der liefde en der deugd. Uit gehoorzaamheid ben ik vertrokken, uit liefde tot mijn geloof heb ik van alle rijkdommen afstand gedaan en liever heb ik mijn leven gegeven dan mijne kuischheid te verliezen. Ik ben voor immer aan de armoede, aan de zonde en aan alle smarten ontkomen. Niets van al hetgeen de menschheid doet lijden, kan mij meer bereiken; zoudt gij mij dan nog beklagen? Ik ben nu rein en eeuwig zooals het licht zelve, zoudt gij mij in uw donker bestaan terug willen roepen? Paul, mijn vriend, denk terug aan die schoone dagen toen wij in onze zielen iets van de heerlijkheid der hemelen voelden bij het zien der opgaande zon die met hare gouden stralen onze bergtoppen en onze bosschen streelde. Eene verrukking welker oorsprong wij

niet konden vatten, vervulde ons gansche wezen. In onze onschuld en onwetendheid wenschten wij nu eens louter „gezicht" te zijn 0111 alle kleuren te kunnen bewonderen; dan weder wenschten wij louter „reuk" te zijn, 0111 al de geuren onzer planten te kunnen genieten; nu eens louter „gehoor" om het gekweel onzer vo-

Bn hier is liet portret.

gels te kunnen hooren; dan weder louter „hart" en ,,gevoel" om Gods goedheden te kunnen genieten. Nu echter geniet mijne ziel aan de bron zelt van al die heerlijkheid, zij geniet, ziet en hoort al wat zij vroeger slechts door hare zwakke organen kon. De menschelijke spraak heeft geene uitdrukkingen om deze zaligheid weer te geven. Ik geniet hier van al hetgeen eene hemelsche goedheid bereid heeft om het lijden te verzachten,