Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn. Dit treedt vooral bij ile purpureus op den voorgrond. De Erigeron gelijkt overigens veel op den enkelbloeniigen Asteralpinus.

liij de E. speciosus, die tevens de grootste soort is, zijn de straalbloempjes blauwpaars, bij de purpureus zacht rozepaars, bij de Coulteri wit, bij de aurantiacus (tig. 22) oranjerood. De buis-

bloempjes zijn bij alle geel.

Zeer vroeg bloeit de nieuwe soort E. grandiflorus elatior,

met lila gekleurde hoofdjes.

9. Funkia undulata var.

Liliaceeën, 15—25 c.M. De mooiste van de witbontbladerige Funkia's, wordt veel voor randen gebruikt, vraagt een zandigen, voedzamen bodem.

10. Phlox reptans, Polemoniaceeën. Kruipende vlambloem, 15 20 cM. Zeer gezochte voorjaarsbloeier, niet rozeroode bloemen, die door vele personen boven de éénjarige Silene pendula verkozen wordt. Ze maakt in Mei geheel hetzelfde effect, terwijl ze volkomen winterhard is, en na den bloei gemakkelijk door scheuren vermenigvul-

| digd wordt. Er bestaan nog | vele dergelijke soorten, met witte, puperroode of blauwe k bloempjes. De fraaiste daar¬

onder is de Ph. divaricata

22. Fneeron aariantiacas. (canadensis), met bijzonder

schoone zacht-blauwe bloempjes. Deze soort ontwikkelt zich het best op eene halfbeschaduwde standplaats, in vochthoudenden doch goed doorlatenden, humusrijken (met turfmolm of bladgrond vermengden) bodem.

Vaste planten voor bescbaöuwöe plaatsen.

Er wordt over 't algemeen te weinig werk gemaakt van beplanting der beschaduwde plaatsen en toch kunnen deze in 't voorjaar en in den zomer juist de meest gezochte plekjes voor den plantenliefhebber worden. Men vindt er bij ruw weer beschutting, op warme, zonnige dagen verademing. Hoe weldadig doet ons de schaduw aan na eene wandeling in de blakende zon.

Menig plekje in den stadstuin ligt er kaal heen, omdat nien meent dat er toch niets wil groeien, vele publieke en particuliere parken zouden onder de groote loofboomen, mits deze op tijd zijn gedund, een schat van overblijvende planten kunnen herbergen. In 't voorjaar, als de boomen bladerloos zijn, zouden tal van bol- en knolgewassen van uit de losse hunuislaag, een grootsche bloemenpracht kunnen ten toon spreiden, denken we daarbij aan sneeuwklokje, Narcis of Scilla. Hier en daar treft men nog het speenkruid, de Anemone nemorosa, Oxalis Acetosella, het lelietje der dalen, de salomonszegel of de adelaarsvaren aan. Gewoonlijk Is deze beplanting geheel aan de natuur overgelaten. De echte plantenliefhebber kan daar echter niet mee tevreden zijn, hij moet trachten daar een veel

Sluiten