Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laten worden. Den dag vóór het verplanten wordt het kweekbedje flink gegoten, opdat de plantjes beter kluit zullen houden en, althans in tijden van droogte, is ook na het planten het gieten een eerste vereischte. Plantgoed, dat tengevolge van een te dichten stand te spillig opgegroeid is, toont steeds een groote neiging tot doorschieten en geeft in den regel smalle, stokkerige knollen.

Voor de vroege teelt zaait men omstreeks half Maart op een zonnig plekje en zet later de plantjes op een onderlingen afstand van 20 c.M.: alzoo zes rijen op een bedje ter breedte van 1.20 M., met een afstand van 20 c.M. in de rij. De vroege witte is voor dit doel bijzonder geschikt. Voor de late teelt za.iit men ze in April of Mei, voor wintergebruik zelfs nog in de maand Juni. De planten komen later op onderlinge afstanden van 40 c.M., alzoo drie rijen op een bedje van 1.20 M., met een afstand van 30 c.M. in de rij. Voor herfst- en wintergebruik is d& groote blauwe Goliath een zeer goede soort Men moet ze niet te groot laten worden, ze vóór den winter oogsten en ze vorstvrij bewaren.

De vroege witte kan men zelfs nog in Juli zaaien, om ze eind Augustus te verplanten en in het begin van November te oogsten. In plaats van eerst op een kweekbedje. kan men de koolrabi's ook onmiddellijk ter plaatse zaaien. Men strooit dan een viertal korreltjes, waar ze moeten staan, terwijl van de opgekomen plantjes maar één, het sterkste, behouden blijft.

Knollen. De knollen, waarvan de vroege meer bekend staan onder den naam van Meirapen of Zandrapen, worden het best op een betrekkelijk mageren grond geteeld. Eene versche bemesting is in ieder geval nadeelig. Ze worden dan zoogenaamd wormstekig en daarbij bitter van smaak. Men kan ze van begin Maart tot eind April, op vochtige gronden zelfs tot half Mei zaaien. De planten krijgen een onderlingen afstand van 20 c M. Daartoe maakt men op dezen afstand ondiepe voortjes dwars over het bedje heen en legt daarin van afstand tot afstand een drie- of viertal zaden. De overtollige planten worden later zoo spoedig mogelijk uitgedund. Rij een te dichten stand der planten krijgt men wel een enorme bladontwikkeling, maar de knolvorming blijft te lang achterwege.

Voor herfstgebruik zaait men in Augustus. Volgens de overlevering moet Sint-Laurens, 10 Augustus, de aangewezen dag daarvoor zijn. Ook nu zorge men er weer voor, niet te dicht te zaaien, hen afstand van 20 c.M. tusschen en in de rij is volstrekt

Sluiten